welcome

DIS DEABUS GRATIA







feel free to enjoy



feel free to react















zondag 23 januari 2011

systemen; van groot naar klein II







In mijn vorige verhaaltje poneerde ik twee Wetten van de Artistieke Dynamica. De eerste is dat de innerlijke chaos van de kunstenaar leidt tot zijn of haar producties en dat die producties op hun beurt de entropie van hun omgeving vergroten. De tweede wet is waarschijnlijk wat ingewikkelder te benoemen en te verklaren, vandaar dat ik daar nu op terug kom.



Die tweede Wet van de Artistieke Dynamica luidt volgens mijn bescheiden opvatting, dat systemen waarin kunst de vertolker van entropie is, gerelateerde systemen zullen beinvloeden waar kunst die rol niet heeft. En dan wederom in de zin van verhogen van de entropie van het te beinvloeden systeem.

De eerste moeilijkheid die zich ten aanzien van deze vrolijke bewering aandient, is dat u zich wellicht afvraagt over welke systemen we het in godsnaam hebben, waar kunst al dan niet een entropie-verwoordende rol speelt. Is, zo vraagt u terecht, niet ieder systeem in onze westerse maatschappij onderheving aan kunstzinnige uitingen? En geldt dat wellicht ook niet in het bijzondere voor expressievere culturen buiten onze westerse? Geldt dat dus gewoon niet altijd? Wat moeten wij ons dan nog voorstellen bij een maatschappelijk systeem dat niet door kunst wordt beschreven dan wel beinvloed?

Ja. Ik kan nu natuurlijk in mijn grenzeloze arrogantie gaan roepen dat u niet moet zeuren (een wet is een wet en daarmee uit), maar tegelijkertijd vind ik dat u toch wel een punt heeft (bovendien heb ik die verrekte wetten zelf in het leven geroepen, dus laat je nu maar eens van je democratische kant zien, poepjurist). Dus: aan mij de taak om me te verdiepen in de relatie kunst - systeem en de relatie kunstsysteem - kunstloossysteem.

Eerst een kleine, niet limitatieve brainstorm. Met welke systemen krijgen wij zo ongeveer in hoofdlijnen te maken in dit aardse tranendal? Geboorte: zorgsysteem; opgroeien: schoolsysteem; gezondheid en andere levensrisico's: verzekeringssysteem; investeren: kapitaalsysteem; werken: arbeidsmarktsysteem; carriere: paternalistisch systeem; protesteren: feministisch systeem; liefhebben en eventueel voortplanten: hormoonsysteem; sterven: taboe-systeem. En daar zijn nog allerhande verfijningen en tussenvoegsels bij te bedenken, maar ik ben ook maar een mens..

Nu ben ik de overtuiging toegedaan, dat al deze systemen, zelfs het meest abstracte, namelijk het kapitaalmarktsysteem, op de een of andere manier door artisticiteit worden bepaald. Artistiek in creatief, scheppende zin en niet in de zin van conformisme aan de heersende trend.
Voorbeelden? Zorgsysteem: kunst over rolverdeling pappa's en mamma's - komt overal voor, zie foto 3. Schoolsysteem: Brick in the Wall. Verzekeringssysteem: Even Apeldoorn Bellen als nationale pech-kreet. Kapitaalsysteem: het euro-teken is een weldoordacht samenbindend symbool dat ontworpen is naar analogie van het dollar- en pondteken en waarvan de bedenkers hopen dat de gehele europese goegemeente het kan natkenen dan wel zich erin herkent. Het moet stabiliteit en estheticiteit uitdrukken (echt waar!). Arbeidsmarktsysteem: zowel de PvdA als Groenlinks streven naar maximale deelname van het arbeidspotentieel. Hierbij wordt gebruik gemaakt van pakkende logo's zoals de socialistische vuist en de groene portemonnee - desing dus. Nou - van paternalisme en feminisme liep de kunst in de jaren 70 over na de tweede feministische golf, zie foto's 1 en 2 van Judy Chicago. En kunst over liefde, sex en kinderen is al helemaal niet over het hoofd te zien. Dan hebben we nog te maken met een aantal taboe-systemen, waaronder het taboe rond sterven. Maar ook daar is de kunst niet meer weg te denken, denk maar aan oude vanitasschilderijen of hedendaagse design-coffins.

Ik zou dus beter kunnen beweren dat de tweede Wet van de Artistieke Dynamica een relatieve is: daar waar systemen relatief weinig worden beinvloed door de kunsten, zullen zij zich ontwikkelen naar een grotere artisticiteit onder invloed van systemen die wel in belangrijke mate artistiek beschreven zijn.
Het wordt in mijn beleving hoe langer hoe onduidelijker. Maar weer een voorbeeld bedacht: het gort-droge, maar tevens geil-natte kapitaalmarktsysteem is niet bij uitsek een systeem dat door artistieke invallen wordt gedomineerd. Intellectuele erupties daargelaten. Volgens de tweede wet zou dit systeem dus beinvloed worden door bijvoorbeeld een bij uitstek artistiek veld als het kunstonderwijs. (Ik kies hier natuurlijk niet zomaar een voorbeeld, nee, ik wil hier iets mee). En wie schetst onze verbazing: er bestaat een opleiding aan de Utrechtse Hogeschool der Kunsten onder de swingende naam Kunst en Economie. Zie je wel: het bloed kruipt waar het niet gaan kan.
Dat betekent dat ik alles bij elkaar genomen ondertussen toe ben aan de derde, holistische Wet van de Artistieke Dynamica: kunst beinvloedt alle maatschappelijke systemen. (Verwacht u van mij nu geen wetenschappelijke bewijsvoering, dat zou flauw zijn.)Punt.

Mooi. Nu we dat weten, kan ik met een vrij gemoed de andere thema's in deze reeks gaan onderzoeken: de relatie tussen kunst en morele systemen en de relatie tussen artisticiteit en de psychologische systeemtheorie. En dan te bedenken dat dit alles in het kader van een interview plaatsvindt..

Wordt vervolgd.

Veni etinam.

uw kather

zaterdag 22 januari 2011

systemen; van groot naar klein


Geachte dames en heren,
in het kader van Voorbeeld 2011, een project van de KABK, waarbij docenten de nietsvermoedende passant een kijkje gunnen in hun proceskeukens, wil ik u een weining onderhouden over het fenomeen Systeem, althans een poging daartoe ondernemen. Voorbeeld 2011 heeft namelijk als thema Systemen meegekregen. Wat u in dit verband van mij verwachten kunt is een aantal bespiegelingen rond het genoemde thema en een interview met een van de goeroes van bij ons op school. Hoe gaan wij dit varkentje wassen? Ik neem u graag mee op een route langs diverse landschappen, waarbij het schaalniveau van macro tot micro zal ontwikkelen. Dit komt op het volgende neer: eerst confronteer ik u met wat ik, overigens mede door gebruikmaking van erkende gedachten op dit gebied, weet over het meest omvattende niveau waarop de systeemtheorie zich manifesteert: de tweede wet van de thermodynamica. Ja, ook ik moest even in de krochten van mijn brein afdalen, langs druipende wanden en over beschimmelde, smalle, lang niet betreden paadjes, en dat heeft geleid tot deze eerste verhandeling. Daarna neem ik u graag mee langs de platgetreden wegen van ons meest kaderstellende maatschappelijk systeem: de waarden en normen en in hoeverre daar nog enig zinnig systeem in te bespeuren valt. Vervolgens zoom ik in op de implicaties van de systeemtheorie op microniveau en poneer wat schetsen over systeemtherapie in het land der zielenknijperij. Kunst beoefenen is pijn lijden, nietwaar? En tot slot ga ik op zoek naar een, het systeem in de maagdelijke hof der Kunsten, dit mede aan de hand van observaties van een van de docenten. Ik verklap u alvast dat dat mijn eigen particuliere obeservaties zullen betreffen, die ik in de vorm van een interview aan u zal presenteren. Ik ga er dus nu al vanuit, dat ik in staat zal zijn en in de gelegenheid zal worden gesteld om een docent te betrappen op enige systematiek in diens dagelijks bestaan..
Dus: deel 1 in deze reeks betreft de systeemtheorie vanuit natuur-wetenschappelijk oogpunt; deel 2 gaat over het systeem van waarden en normen in ons warme samenzijn; deel 3 gaat over een beoogd systematische aanpak van de tobbende mensch en deel 4 is de eigenlijke bijdrage aan Voorbeeld 2011: een observatie van de systematiek van een docent in de kunsten, gericht op diens werkproces. Uiteraard zal ik bij de behandeling van al deze afzonderlijke onderwerpen steeds op zoek gaan naar een relatie met de beeldende kunsten, want anders heeft deze hele exercitie ueberhaupt geen zin, toch?
Nog even ademhalen, allemaal naar het toilet, kauwgom uit je mond, hier gaan we.

De systeemtheorie is een multi-disciplinaire theorie over systeembeschouwing van systemen in de natuur, wetenschap of maatschappij. Uitgangspunten zijn compexiteit en onderlinge afhankelijkheid van systemen en van de elementen binnen systemen. De systeemtheorie wordt toegepast binnen de cybernetica, de filosofie, organisatieleer, management, psychologie, economie en sociologie.

Moeten we natuurlijk ook even precies weten wat een systeem is:

Een systeem is een uit meerdere onderdelen bestaand stelsel, dat als geheel toegevoegde eigenschappen heeft, die de afzonderlijke elementen niet bezitten. Voorbeelden: periodiek systeem der elementen (scheikunde), muziek systeem (Schoenberg), thermodynamisch systeem.

Beide definities zijn min of meer gebaseerd op wat de Wikipedia ons te vertellen heeft. Dat kan natuurlijk nog veel exacter, heeft de definiant van systeemtheorie er bijvoorbeeld bewust rekening mee gehouden dat deze theorie ook van toepassing is op de interferrentie van systemen?, maar voorlopig kan ik er met mijn verhaal wel mee verder.

Oorspronkelijk komt het begrip Systeemtheorie uit de thermodynamica. Een tak van hobby uit de natuurkunde die zich bemoeit met het gedrag van deeltjes in omstandigheden van verschillende temperatuur. Hoe heter, hoe meer beweging van moleculen, daar komt het zo ongeveer op neer. De thermodynamica bestudeert de uitwisseling van energie tussen elementen van een systeem en tussen systemen onderling. Zo worden open systemen onderscheiden: vrijheid blijheid - je kunt er relatief ongehinderd in en weer uit; gesloten systemen: deze wisselen hooguit een beperkte hoeveelheid energie uit met hun omgeving, maar moeten overigens niets van enige nieuwlichterij weten; en geisoleerde systemen: daar is geen enkel contact mee mogelijk. Het zou op dit moment al een interessante vraag zijn, met wat voor een systeem de kunstwereld te vergelijken is: open -mag iedereen er wat mee? of gesloten: een elitair gebeuren dat qua diepgang is voorbehouden aan de ingevochten enkeling of zelfs geisoleerd: volstrekt van iedere omgeving los opererend, weliswaar geheel autonoom, maar ook volledig autarkisch. Wat denkt u? Ik kom hier later op terug.

Nu is het met die thermodynamische systemen ook nog eens een keer zo, dat die verondersteld worden een gemeenschappelijke neiging te vertonen. Namelijk de neiging om steeds ingewikkelder te worden en volgens bepaalde wetmatigheden op het hoogtepunt van complexiteit, ook wel chaos of entropie, te evolueren naar een hoger plan. Mooi, he? Kort door de bocht betekent dit, dat hoe groter de troep, hoe schoner de ontwikkeling. Ziet u wederom een verband met den beeldenden koensten? U kunt zich dit ook heel praktisch voorstellen aan de hand van de al eerder beloofde tweede hoofdwet van de Thermodynamica: als in een systeem entropie heerst, bijvoorbeeld stinkhitte, dan zal dat systeem ernaar neigen om tot innerlijke rust te geraken en wat van zijn warmteenergie geheel belangenloos met zijn omgeving delen. Maar belangenloos betekent niet kostenloos: waar het eerste systeem meer in balans komt, afkoelt dus, zal de omgeving meer entropisch worden: opwarmen dus. Gesnapt?

Wat kunnen wij, ambitieuze kunstenaars i.o. hiermee? Ik dacht zelf aan een Eerste Wet van de Artistieke Dynamica: ieder kunstwerk interfereert met zijn omgeving, en wel zodanig, dat de entropie die bij de maker aanleiding was tot het produceren van het kunstwerk afneemt, en de entropie in de omgeving van toeschouwers toeneemt. Een afgeleide van deze eerste Artistieke hoofdwet is de volgende Tweede Artistieke hoofdwet: systemen waarin kunst een uiting is van de inherente entropie, interfereren met systemen waar kunst niet die rol heeft en beinvloeden deze laatste systemen door toename van de endogene chaos. Ik ga er daarbij dus vanuit dat kunst onderdeel uitmaakt van open systemen en niet van geisoleerde systemen. Voorwaarde hierbij is wat mij betreft, dat de betreffende kunst ook daadwerkelijk getoond wordt aan een relatief open groep van toeschouwers, en niet in een of andere kluis aan de waarneming onttrokken wordt.

Zo. Of dit allemaal stand en steek houdt, valt nog te bezien. Daarover wijdt ik graag uit in volgende afleveringen in deze serie.
Maar laat ik eerst een kleine, niet marginale, bezinning uitvoeren op de implicaties van mijn stellingen.
In eerste instantie zullen de dogmatici onder u zich wellicht verheugen: de poorten naar alom verguisd academisme staan weer met gierende tochtwinden open! Hi, hi, via een achterdeur moeten we dus stiekum toch erkennen dat we leven in een door keiharde principes geregeerd bestaan, ja, ook in de kunst dus! Als de geformuleerde dynamische kunstwetten een relatie met de realiteit hebben, zou dit betekenen dat in het denken over kunst een tendens waarneembaar moet zijn van entropie en de opheffing daarvan. Anders gezegd: men denkt in een bepaalde tijd het wiel uitgevonden te hebben: zo moet het met kunst, zo maak je echte kunst. De gloed die hiervan afstraalt is voor de beleiders waarschijnlijk hoogst behaaglijk. Maar dan. In dit systeem van denken heerst onmiskenbaar een zekere entropie: opborrelende artistieke energie leidt tot vormen van expressie waar je bij wijze van spreken koud van zou kunnen worden. Academisme is meestal een betrekkelijk kort leven beschoren. Het functioneert als een tijdskarakeristiek en evolueert als het ware onder invloed van haar eigen innerlijke pressie vanzelf tot een denken in de kunst waarin meer ruimte voor vrije expressie wordt gezocht: het moet allemaal toch weer helemaal anders. Kunt u mij nog volgen?
Voorbeeld: de rechtgeaarde manieristen uit tweede helft van de zestiende eeuw, na hoog-Renaissance en voor Barok, meenden oprecht dat zij een noodzakelijke toevoeging pleegden op de verworvenheden van de klassieke Renaissance. Men dacht waarschijnlijk in kinderlijke naiviteit dat de (schilder-)kunst er beter van werd door meer aandacht te schenken aan eigen interpretatie door de kunstenaar, door meer beweging op het doek vast te leggen dan hun voorgangers deden, door de menselijke anatomie naar eigen inzicht letterlijk te verdraaien als dat zo uitkwam. Zij konden even waarschijnlijk niet bevroeden dat zij in de achtiende en negentiende eeuw om deze verworvenheden juist verguisd zouden worden, zouden worden geassocieerd met effectbejag en statische regels die de kunst zouden ontdoen van haar levendigheid en dynamiek.
Maar, ik schreef het al eerder, de geschiedenis herhaalt zich. Wat voor de manieristen gold, overkwam later bijvoorbeeld de impressionisten: beide stromingen zijn door opvolgers verwezen naar het rijk der prutsende peuters. Wat mij betreft kun je dat in de context van de systeemtheorie aldus verklaren: ieder systeem in de kunst ontwikkelt zich in entropie en evolueert daardoor tot een verondersteld hoger niveau. Eenmaal op dat hogere ontwikkelingsniveau aangeland, zullen de opvattingen omtrent kunst wederom onder invloed van verhit verdedigde stellingen omslaan in entropie en vervolgens evolueren tot een ander, wellicht opnieuw hoger niveau.

Ik vind dat ik hiermee netjes naar mijn eigen gelijk heb toe geredeneerd: de wetten van de thermodynamica zijn zonder twijfel te transponeren naar de genoemde Eerste en Tweede Wet van de Artistieke Dynamica. Q.E.D.

Bijgevoegd plaatje is van een tsjechisch kunstenaar David Cerny, die de EEG verbeeldde door de systemische relatie van de deelnemende landen op provocatieve wijze uit te drukken. Het document is Entropa genaamd, een samentrekking van Europa en Entropie. 't Is maar dat u het weet.

In een volgende aflevering ga ik eens kijken of er een relatie is tussen maatschappelijke dymamiek in de zin van ontwikkeling van waarden en normen, de jurist in mij is weer wakker, en een nabeeld daarvan in de kunst en vice versa. Dat is ook best leuk, hoor.

Dus graag tot dan.


Errare humanum est.


uw kather

maandag 10 januari 2011






















Als voorlopig laatste aflevering in een serietje over Waterhouse, voel ik het als mijn verantwoordelijkheid om u enigszins te onderhouden over waartoe Waterhouse en diens club heeft geleid, om vervolgens de cirkel rond te breien en u nader te informeren over mijn eigen ambities.

Zoals eerder gemeld, werd Waterhouse samen met Millais, Hunt, Rosetti en Morris gerekend tot de pre-rafaelieten. Een groepje dwarsdenkers, dat dacht dat het goddelijke in de schilderkunst vooral van voor Rafael stamde. Rafael was, zoals u wellicht weet, een schilder uit het Italie van de 15e eeuw; hij leefde van 1483 tot 1529 om precies te zijn. Hoge Renaissance dus. Deze grote meester wordt wel tot het Idealisme gerekend (want zonder -isme geen erkenning). Dit is een stroming waarbij de beleiders beweren, dat de fysieke wereld ondergeschikt is aan de geestelijke. En in die geestelijke wereld meende men aanknopingspunten te hebben gevonden voor een dogmatische visie op het ideale uiterlijk. Ha, da's vreemd: fysiek zij minderwaardig, maar tegelijk diende het fysieke wel canonisch ideaal afgebeeld te worden. Nu wordt alles pas interessant als het ergens wringt, zo ook de Idealistische opvattingen. In het spanningsveld van realiteit en ideaal heeft Rafael een aantal evergreens nagelaten die er niet om liegen. Zie foto 6 bijvoorbeeld - meneer werd wereldberoemd met zijn ingetogen en toch zeer sprekende madonna's met kind. Je zou er haast een fysieke beleving bij ervaren, zo fraai. Fraai vanwege eenvoud, helderheid. Fraai vanwege de harmonie die de schilder naar mijn mening weet te bereiken tussen ideaal en werkelijkheid. Ik waardeer dus zeker de ambities van deze oude meesters, dat zij hun heil beproefden in de geestelijke wereld. Fysiek zonder geestelijk, ik moet er eerlijk gezegd niet aan denken!

Wat ik echter wat minder geslaagd vind, en misschien is dat een opvatting die ik zou moeten kunnen delen met de pre-rafaelieten, is dat Rafael zijn uiteindelijke producten altijd veel meer ontdoet van enige expressie dan bijvoorbeeld zijn studies. Zie foto's 3, 4 en 5.
Op de tekening van de vrouw in cotra-post is nog een zweem van een geopende mond te zien. Misschien teveel gelijkend op de hedendaagse pijpenkop, zodat Rafael nimmer dergelijke banale uitdrukkingen tot olieverf heeft gepromoveerd. In de bijgevoegde tekening van een man speelt hij met de spiertonus rond de ogen, waardoor het effect van een misterieuze,moeilijk te interpreteren glimlach ontstaat. Da's op zich toch heel wat interessanter dan zo'n uitgestreken Madonna, maar ook deze wulpse oopvatting van Rafael haalde nimmer het doek. En de laatste bijgevoegde tekening van een muze, foto 3, vind ik subliem in subtiliteit en haar tijd ver vooruit voor wat betreft het herkennen en weergeven van minimal cues in gelaatsuitdrukking.

Kijkt, en daar is het mij nu om te doen. Die kleine aanwijzingen, die vaak maar een fractie van een seconde waarneembaar zijn, en dan vaak ook nog slechts voor een geoefend oog, die een inzicht geven in de belevingswereld van de vertoner. Juist aan de hand van deze kleine cues vind het merendeel van de onbewuste communicatie plaats. En die onbewuste communicatie maakt op haar beurt weer het merendeel uit van ueberhaupt iedere communicatie.

Maar eerst nog even terug naar de pre-rafaelieten. Zij hadden bedacht dat Rafael en consorte eigenlijk toch wel waren doorgeschoten in hun ambities van het verwezenlijken van een ideaal. Waarom ze nu juist Rafael moesten hebben, is mij overigens niet geheel duidelijk, want als je behoefte hebt aan verzet tegen manierisme in het algemeen, dan kan ik nog wel een aantal smakelozer voorbeelden geven dan Rafael. Ik zou de pre-rafaelieten geheel vrijblijvend geadviseerd kunnen hebben hun pijlen eens te richten op de hellenistische grootheidswaan, maar dat is helaas buiten de realiteit.
Die pre-rafaelieten dus, zochten naar manier van schilderen die zij veronderstelden te zijn aanwezig in het era van voor Rafael, en die gekenmerkt werd door een hang naar zuiverheid van vorm conform de natuur en niet conform de geest. Zij verwierpen het Geistliche in de kunst (met dank aan Kandinsky) echter niet; in hun voorkeur voor literaire onderwerpen komt dit geestelijke aspect toch weer naar voren. Zie foto 2; de Ophelia van Millais, uit de Hamlet van Shakespear. Broeva, haro, zou Obelix roepen, want op dit punt lijkt het dat ik mijn goeroes gevonden heb in de pre-rafaelitische broederhoed. Nou, nee dus. Niet helemaal. Schilderen naar de natuur: prachtig. Analogieen met de literatuur: smakelijk. Gelijkvormigheid van smoelen: gadver. Ik had u beloofd de cirkel rond te breien en op dat punt ben ik nu ongeveer aangeland.

Ik vind het namelijk nogal stom om de schat aan bewust waargenomen uitdrukkingsmogelijkheden waarmee de psychologie ons verrijkt heeft, onbenut te laten in de kunst.
Freud heeft echter wat dit betreft al genoeg credits gehad in mijn beleving; ik vind dat hem eigenlijk al teveel eer is gegund door de surrealisten die ineens aandacht kregen voor de droomwereld van den mensch. Nou ja, het was ook wel een terechte ontwikkeling in de kunst, het surrealisme.
Bovendien kan ik het de pre-rafaelieten niet verwijten dat zij geen kennis hebben genomen van bijvoorbeeld een Paul Ekland, die zulke interessante smoelenboeken heeft geproduceerd. Want Ekland kenden zij helemaal niet. Een slap aftreksel van wat deze Amerkikaanse psychiater aan inzicht heeft verworven, wordt momenteel in de tv-serie Lie to me vertoond. Genieten van de liegende mens, ik kan het u aanraden.

Dus tadaaa! Daar gaapt het grote gat, de ultieme niche in de kunstemakerswereld, die schreeuwt om een adequaat antwoord. Kunst die de brutaliteit van de zichtbare, natuurlijke werkelijkheid weergeeft en tegelijkertijd zoekt naar manieren om de geestelijke wereld recht te doen. Ach, hoe moeilijk kan dat nou zijn. Dat antwoord zal ik dus wel even geven. Hoe lang ik daarover ga doen is alleen niet te voorspellen. Ik wou beginnen met een herinterpretatie van Circe Individuosa; lancering verwacht medio 2010.
Om u een eerste indruk te geven van hoe ik zelf met minimal cues meen te moeten omspringen, wil ik u los van de twee portretten die ik u in mijn eerste blog in deze serie toonde, graag een psychologische erupte mijner geest laten zien aan de hand van een betrekkelijk recent werk, foto 1. Uit veiligheidsoverwegingen heb ik in dit geval echter het gehele smoel weggelaten. Ik ga er daarbij vanuit dat u wel begrijpt wat ik bedoel.


Tot genoegen.

Signa inferre! Praege!


uw kather







vrijdag 24 december 2010

galerij der overledenen - de kerstgedachte







In deez' donkere, wit-gedekte dagen wil ik u kennis laten nemen van enige diepzinnige kerstgedachten. Uiteraard omgezet in 2d-beeld.


Een goede bekomst,

uw kather

dinsdag 14 december 2010

J.W.Waterhouse; wat vrijheid vermag...
























In een eerder blog toonde ik u al De Magische Cirkel, een schilderij dat Waterhouse maakte in 1886 (zie foto twee blogs geleden).

Ik sta nu opnieuw stil bij dit doek, omdat het eveneens de heks Circe verbeeldt en omdat het dusdanig afweek van de toen op de Academie heersende canon, dat het voor nogal wat onrust zorgde.
Wat is namelijk het geval? Waterhouse had bij het schilderen van deze Circe gebruik gemaakt van platte penselen, een handelswijze die hij had afgekeken van bijvoorbeeld de franse schilder Bastien-Lepage (foto 2). Dunne, vloeibare verf werd kennelijk snel op het doek aangebracht, met de bedoeling om een spontane en levendige indruk te wekken bij de toeschouwerd. Maar zoals u natuurlijk al op uw kouwe klompen aan voelt komen, werd op deze techniek nogal neergekeken door de Engelse Academies. Precisie en vakmanschap, dat was je ware! En volgens sommigen heerste er een xenofobe angst voor elke buitenlandse nieuwlichterij.

Maar wat is nu zo opmerkelijk ten aanzien van De Magische Cirkel? Het doek werd ondanks de verwachting van vlijmscherpe kritieken toch goed ontvangen. Sterker nog: het werd aangekocht door een chique gezelscap, de beheerders van het Chantrey-legaat, die meenden dat het schilderij een plaats had verdiend in de nationale collectie. Daar ga je dan met je nobele principes! De deur naar impressionistische tendensen is gevaarlijk open gezet. In de achtergrond zien we namelijk dat Waterhouse gebruik maakt van doffe tonen en dat vorm oplost in kleur, een kenmerk dat we bij het impressionisme ook ruimschoots aantreffen. Nog even en we tuimelen in de afgrond van ketterse, heidense goddeloosheid en zijn onze trots geconserveerde tradities verkwanseld...

Is het daarom zo slim dat Waterhouse voor magische onderwerpen kiest? Twee jaar later schildert hij zijn bekendste schilderij: De Vrouwe van Shalot (foto 3). Op dit doek verbeeldt Waterhouse het gedicht van Tennyson, dat zo'n vijftig jaar eerder was uitgekomen. Door de veranderingen in de strenge Victoriaanse maatschappij, was er in Engeland een opkomende belangstellling voor ridderverhalen. Het verhaal van de Vrouwe van Shalot (jonkvrouw zit in toren; mag alleen via spiegel naar buiten kijken; ziet Lancelot, wordt verliefd, kijkt toch; oeps; moet dus dood) geeft de spanning aan waarin zich emanciperende vrouwen bevonden: tussen puriteinse beheersing van lichaam en geest en de noodzaak om aan natuurlijke driften toe te geven. Vertaald naar het schilderkunstig discours leverde dit een strijd op tussen de academische schilders en de vrijdenkers die meer verhalend en geengageerd wensten te werken.

Waterhouse weet met zijn mythische taferelen zijn publiek indertijd daadwerkelijk te betoveren; hij oogst waardering waar anderen zeker verguisd zouden zijn geweest. En door de onconventionele manier van schilderen van de achtergrond, maar ook van het kleed van Circe, vestigt hij de aandacht op het eigenlijke onderwerp: de dramatiek van de heks die de wereld ik weet niet wat aandoet haar magische gebaren.

Nou moet mij persoonlijk van het hart, dat ik meestal niet zo onder de indruk ben van stennis in schildersland. De hele kunstgeschiedenis door denken een aantal vooraanstaande schreeuwerds, dat we met schokkend nieuwe ontwikkelingen te maken hebben, dat de wereld nooit meer zou zijn als voor de geboorte van het laatste, nieuwe, al het overige overbodig makende product van een niets-vermoedende verfmengerd uit een of ander achteraf-tijdperk. Ha! Wie denken ze wel niet dat ze zijn! Of, mea culpa, wie denk ik wel niet dat ik ben.
Welnu, ik noem u wat voorbeelden. Voorbeelden van vervloekte bedreiging van de gevestigde orde, tevens ingehaald als hemels manna der vernieuwing. Let op.
Zo is daar in onze vaderlandse kunstgeschiedenis ene heer Hals. Waaghals, als het gaat om penseelvoering, compositie, uitdrukking, symboliek. De rederijkers waren met zijn allen not amused (foto 1). Hals nam de vrijheid, en naar mate hij ouder werd ging hij daarin steeds verder, om af te zien van de manieristische schilderstijl van voor de barok. Hij streefde naar meer beweeglijkheid en vervorming dan tot dan toe formeel was erkend als zijnde kunstzinnig. Toch goed gelukt, nietwaar?
Een willekeurige sprong in de tijd, doet mij denken aan vroeg-abstracte beelden zoals de Venus van Willendorf. Wellicht tot inspiratie geweest van een Rubens, een Wolkers, een Botero, een van der Leeden? Maar toen was er geen elite, die het zich kon permiteren om er publiekelijk schande van te spreken als er bijvoorbeeld een borst zou worden vervangen door een voetbal. Nog even afgezien van het feit, dat voetballen toen nog niet waren uitgevonden.

Wat ik hiermee wil zeggen, is dat ik het mij op dit moment permiteer om een kanttekening te plaatsen bij de zelf-overtuiging van de geachte dames en heren kunstcritici en canonisten. Heeft er nou werkelijk niemand van dat hele clubje door, dat ze zichzelf al eeuwen gruwelijk aan het herhalen zijn, en dat waarschijnlijk ook nog eeuwen zullen doen.
Wacht effe. "En dat waarschijnlijk ook nog eeuwen zullen doen"?? Dus ook ik moet na vier, vijf volzinnen constateren dat er gewoon geen reet aan te doen is. Fok. Nou, als jullie dan in ieder geval mijn producten maar ergens tussen hemel en hel plaatsen, dames en heren kunstkritisch publiek, en als jullie daarbij ook nog heel veel willen betalen voor wat ik gemaakt heb, of in ieder geval anderen zo beinvloeden dat zij dat gaan doen, dan zullen jullie mij niet meer horen mekkeren. Afgesproken?
Daarom toon ik bijgaand alvast twee van mijn nieuwste creaties, die ik bij deze beschikbaar stel voor de markt. Het betreft mijn reactie op de toewijzing van het WK voetbal in 2000 en nog wat.
Als u mijn rekeningnummer nodig heeft, hoor ik dat graag.


Met de meeste hoogachting,

uw kather





vrijdag 19 november 2010

J.W.Waterhouse











Wiens dochter ik ben weet ik niet. Ik kan zijn van Hekate, maar ik ben te zeer verdwaald om haar met zekerheid mijn moeder te noemen.

Mijn vader zou Helios zijn. Maar ook zijn aandeel in mijn bestaan is twijfelachtig, omdat ik mij al te zeer met duisternis verbonden voel.


Ik kan u ook niet zeggen waardoor ik mij meer en meer overgaf aan de kracht van het kwade. Jawel, teleurstelling wekte uiteindelijk mijn woede, mijn niet te stuiten razernij. Toch kan ik dat niet rijmen met mijn goddelijke afkomst, mijn magisch bestaan. Zo aards ben ik toch niet!

Ik moet het toegeven: hunkerend naar verbondenheid, naar een alles verklarende, alles omvattende verhouding der dingen, zocht ik de liefde bij aardse mannen. Spijt heb ik niet. Maar wat het mij gebracht heeft is de sleutel van de kamer waar het gif, waar de gal en de haat hoog opgetast liggen.

Ik zal u vertellen hoe het mij vergaan is.
Odysseus voer langs mijn land in de zee. Aeaeia rilde onder de zware golven die de vloot op mijn kust teweeg bracht. Ik stak mijn neus in de wind en snoof de steeds sterker wordende flarden van muskus op. Mijn hart kneep samen, mijn brein strekte zich als bereidde het zich voor op de val die ik zou gaan zetten. En onder mijn buik kondigde klokgelui de intocht van vers vlees aan.
De ploert Eurylochos ging op bevel van Odysseus aan land. Verkenners bereikten mijn hol, en troffen het vuur nog half smeulend onder een everbig.
Met een royaal gebaar overtuigde ik hen van mijn gastvrijheid. En met de gulzigheid waarmee ze mijn wijn dronken veranderde ik hen in de varkens die ze al waren. De ploert had me door! Hij waarschuwde zijn leider en samen dwongen zij mij om ongedaan te maken wat ik had aangericht. Hermes heeft hen geholpen; hem krijg ik nog wel. Ze feestten nog een jaar bij mij, maar zwanger werd ik er niet van. Ik spuugde ze uit op het strand en zag ze met lede ogen vertrekken. Ik was weer alleen.

Tot Picus mij riep, om gebruik te maken van mijn gaven. De koning van Ausonie had zijn oog laten vallen op Canes. Die domme nymph met haar verduivelde gezang. Hij vroeg mij hoe het met haar aan te leggen. Ik viel voor de wanhoop in zijn ogen, het verlangen in zijn stem. Mij zul je dienen, mij zul je toebehoren, wees ik hem aan, maar hij weigerde. Godverdomme, hij weigerde! Een specht zul je dan zijn, een specht die zijn leven lang met zijn kop moet slaan om onderdak te vinden. Gek zul je worden, van je eigen lawaai en de pijn in je hoofd. Maar Picus' vrienden kwamen hem te hulp. Zij dwongen mij de waarheid prijs te geven, maar kenden mij niet goed genoeg. Ik veranderde allen in beesten, druipend van gif, badend in het zweet van de bijslaap.
Over Canens kan ik kort zijn: zij stierf aan de Tiber terwijl zij haar laatste gezang uitstiet. Zelf bleef ik alleen achter.

Ook Glaucus dacht ongestraft van mijn macht te profiteren. Hij verloor zich in Scylla, de hoer van de zeestraat. Ik wil je hebben, ik, met mijn goddelijke lijf, mijn grootse brein. Maar je luisterde niet, je dacht dat je het beter wist, je dacht je eigen gang te kunnen gaan. Was je in onschuld, schoft, ik verander je wijf in een hond met zes koppen. Nee! Een vis zal ze zijn, met een slijmerige staart. En rijen met vlijmscherpe tanden gun ik haar, zodat ze je tong zal rafelen als je de zure honing in haar mond likt. En dus goot ik het gif in de baadplaats van Scylla. Tot het einde der dagen zal zij schepen misleiden, samen met haar gulzige zus Charybdis. Tot het einde der dag zal ik mijn eenzaamheid lijden.

Waterhouse heeft naar alle waarschijnlijkheid de laatste variant van de mythologische vertellingen over Circe gebruikt als inspiratie voor zijn schilderij Circe Individuosa, zie foto. Hij was gebiologeerd door de vrouwelijke sexualiteit. In de tijd dat hij dit schilderij maakte (1892), was sprake van een groeiend zelfbewustzijn bij vrouwen. De mannelijke suprematie was niet langer vanzelfsprekend. Met de nieuwe eisen die vrouwen gingen stellen, bijvoorbeeld een bevredigend sexleven, werden veel mannen in verlegenheid gebracht. De spanning die dit bij Waterhouse heeft opgeroepen is ook terug te vinden in doeken zoals De Sirene, 1900 en Odysseus en de sirenen, 1891. (zie foto's)

Op het doek De Sirene geeft Waterhouse zijn eigen dubbelzinnige houding tegenover de groeiende vrouwelijke autonomie prijs. We zien een gespierde man, die ten prooi lijkt te zijn gevallen aan een sirene. Maar zij zingt niet: zelfs haar blik kon al dodelijk zijn. En bovendien heeft de getoonde macho ook een aantal voor die tijd vrouwelijke kwaliteiten: een oorbel en lang golvend haar. Verder valt op dat de suggestie van een scheepsramp wordt gewekt met de half vergane mast, maar de zee is nogal kalm. Kortom: Waterhouse koos de enige juiste weg voor zijn vertwijfeling: een prachtig schilderij.

In het schilderij Odysseus en de sirenen laat Waterhouse zien hoe de zeeheld Odysseus de dodelijke lokroep van de sirenden weet te weerstaan. Hij laat de bemanning was in hun oren doen, en laat zichzelf vastbinden aan de mast, zodat de sirenen in hun kwade bedoelingen nutteloos zullen zijn. Het verhaal wil echter, dat het de heks Circe is die Odysseus van deze wijsheid voorziet. Door eerst het doek Odysseus en de sirenen te schilderen in 1891 en een jaar later Circe Individuosa, legt de schilder een verband tussen de twee schilderijen. Hij geeft daarmee prijs dat hij de kracht en de macht van vrouwen hoog acht en dat zij hem inspireren tot vakmanschap. Een vakmanschap dat hij op ander vlak wellicht te kort gekomen kan zijn...

Omdat ik zelf natuurlijk ook ruimschoots nadenk over het tekortschietende mannelijk vermogen, deel ik graag met u mijn nieuwste geval. Het betreft hier een soort van schutterstuk (geschutter, u kent dat wel), dat is geinspireerd op een aantal grote rennaissance schilders. Net als bij Waterhouse verbind ik erotiek, water en dood met elkaar. Maar veel meer wil ik er toch niet over kwijt. U ziet zelf maar. Overigens meet het doek 150 x 200. Ik onderzoek momenteel het grotere formaat. Niet dat dat iets speciaals zou betekenen, of zo.

Tot zover; wordt vervolgd.


uw kather

zaterdag 6 november 2010

J.W.Waterhouse











Na enige radiostilte pak ik de draad weer op. Om me te wijden aan een opdracht voor kunstgeschiedenis: herinterpreteer een meesterwerk uit de 20e eeuw.

Tijdens de les vernam ik dat de tijdsmarges ruim zijn: eind 19e eeuw mag ook.
In eerste instantie koos ik voor Psyche opent het gouden kistje, van J.W. Waterhouse (1849 - 1917). Eigenlijk is dat niet mijn favoriete werk van Waterhouse, maar het doek is wel van na 1900. Omdat ik kennelijk wat verder mag kijken dan de strikte aanwijzingen in de titel van de opdracht, kies ik nu liever voor Circe Individiosa: Circe giet gif in de zee, uit 1892.
Het lange, verticale formaat spreekt mij aan. Het benadrukt volgens kenners het boosaardige karakter van de heks Circe. Ook het verhaal zelf vind ik boeiend: een zeegod weigert zijn geliefde te verlaten en wekt daarmee de woede van Circe. Hoe valser hoe beter, denk ik dan. In ieder geval ik beeldende zin.

Wat mij namelijk aan Waterhouse opvalt, is dat zijn portretten weliswaar een fenomenale techniek verraden en een breed, rijk kleurenpalet tonen, maar desondanks opvallend gelijkvormig zijn. Zie afbeelding: De Decamarone, 1916.
Nu hoeft dat op zich geen belemmering te zijn om een schilder te waarderen - we doen ten slotte allemaal toch zoveel mogelijk waar we goed in zijn. Maar waar het mij hier om gaat, is dat Waterhouse uiterst beperkt van minime aanwijzingen voor een onderliggende gevoelswereld van zijn vrouwen gebruik maakt. Aanmatigend, ik weet het. Toch wil ik me wagen aan een herinterpretatie, waarbij ik de ambitie heb om de bedoelde minimal cues voor een geestesgesteldheid te onderzoeken en te tonen.
Natuurlijk: Waterhouse legt een sterke dramatiek en spanning in zijn werk. Dat hij zich daarmee terecht onderscheid als meester van zijn tijd waag ik niet ter discussie te stellen. Het gaat mij meer om de inpassing van deze meester in het leertraject dat ik voor mijzelf heb bedacht: ontwikkelen van voldoende technische vaardigheden om minimal cues tot uitddrukking te kunnen brengen, met als achterliggend doel om transities of overgangen in een menselijk bestaan te belichten.

Waarom nu juist Waterhouse, een lange tijd vergeten schilder uit het eind van de 19e en begin van de 20e eeuw?
Wat is er dan zo meesterlijk aan zijn werken dat het een copy en een herinterpretatie conform de opdracht rechtvaardigt?
Allereerst merk ik op, dat de schilder bekend stond om zijn boeiende, theatrale uitstraling van zijn doeken, zijn betrokkenheid bij belangrijke onderwerpen uit zijn tijd en zijn uitmuntende vakmanschap. Een meester dus. Daarnaast wordt hij gekenmerkt als pre-rafaeliet. Deze groep schilders streefde naar een breuk met de academische regels. Zij besteedden veel aandacht aan natuurgetrouwe weergave van details, gebruikten levendige kleuren, en bestudeerden onder meer literaire onderwerpen. Voila: een club om van te likkebaarden. Ook mij word wel verweten dat ik literair te werk ga in mijn prenten. En hoewel ik nu nog gehinderd word door een relatief ernstig gebrek aan techniek, ben ik zonder meer bereid om mij wat kunsten eigen te maken. Ik klim bij voorkeur graag op de schouders van degenen die een zuiverheid van weergave, idee, palet en relevantie nastreefden. Als ze nog zouden leven, zouden ze me waarschijnlijk uitlachen, maar dat kan mij niet schelen.
Waar de prerafaelieten bijvoorbeeld een nauwe associatie legden tussen water, vrouwen en verdrinking, ben ik met dezelfde associaties aan de haal gegaan in bijgaand getoonde werken van recente datum. Ik hoop van harte dat de kijker enig begrip kan opbrengen voor de moeite die ik heb gedaan om minimal cues in te vliegen. Ik hoop eveneens van harte dat de lezer van dit alles de humor kan inzien.

Wat was er dan zo vernieuwend aan het werk van Waterhouse dat hij kennelijk nu nog de moeite van het volgen waard is?
Zoals gezegd wordt Waterhouse wel ingedeeld bij de pre-rafaelieten, en wel de tweede lichting. Deze schilders wierpen de academische regels, die zij verbonden met de renaissance-schilder Rafael, van zich af. Zij zochten het goddelijke in de schilderkunst door zich toe te leggen op zuivere, natuurlijke waarneming. Een dergelijke houding is niet nieuw, zoals zo vaak herhaalt de geschiedenis zich ook in dit opzicht. Ironisch genoeg kan zelfs van de academisten gezegd worden, dat zij zochten naar de meest zuivere waarneming en dat zij inspiratie vonden in de grote verhalen uit de geschiedenis.
Het nieuwe van Waterhouse wordt wel gezocht in het feit, dat hij in afwijking van de pre-rafaelieten niet de nauwgezette schildertechniek toepaste, maar juist aansluiting zocht bij de Franse schilderkunst uit die tijd, met een veel lossere toets. Zie afbeelding van De magische cirkel, 1886. Hier is de losse manier van schilderen goed te zien. Heel concreet werd deze manier van schilderen bereikt door het gebruik van een platte kwast; een techniek die overgenomen was van de Franse schilders. Hoe grappig, dat de Londonse Royal Academy of Art het gebruik van dergelijke kwasten absoluut not done vond.

Tot zover mijn eerste bespiegelingen op weg naar een nader onderzoek van Waterhouse. Graag tot later!

uw kather