Tussen de krioelende menigte door probeert Pars een weg te vinden naar voren.
- Sorry, personeel, mag ik even..
Hier en daar geirriteerde blikken, maar de meesten gaan opzij om haar ruimte te geven. Niemand schijnt haar te herkennen.
- Godver, laat ze zich onbedoeld ontvallen als iemand in het gedrang rode wijn knoeit op haar witte jurk.
Wanneer ze het podium bereikt, werpt ze een keurende blik op de opstelling. Katheder in het midden, zwarte doek van plafond tot vloer. Zoals afgesproken. Glaasje water? Ja, staat er ook.
Met moeite drukt Pars zich op en klimt naar haar plaats van bestemming.
- Van het uitzicht genoten?, denkt ze, terwijl ze haar jurk recht trekt.
Ze tikt op de microfoon, maar de zaal lijkt zich er niets van aan te trekken. Alle begin is moeilijk, denkt Pars. Iets te laat wordt de spot op haar gericht en het zaallicht gedimd. Ard had nog aangeboden haar te introduceren, maar daar had ze geen behoefte aan gehad.
Ze schraapt haar keel en zegt duidelijk gearticuleerd: - Goedemorgen, dames en heren...
Het geroezemoes houdt aan. - Goe-de mor-gen, da-mes, he-ren!
Enigszins opgelaten moet Pars constateren dat gewoon niemand luistert en het te druk heeft met socializen. Wat nu? Een derde poging: - Dames en heren! Een hele goedemorgen...
Maar nog voor Pars haar wens heeft uitgeproken wordt zij overstemd door een harde lach, vooraan bij het podium. - Leuk, denkt Pars. Ze probeert in haar onbeholpenheid overeind te blijven en maakt dankbaar maar gegeneerd gebruik van een inval. Ze laat een harde boer in de microfoon:
- BURKEhhh!
Ah, eindelijk aandacht, constateert ze opgelucht.
- Goedemorgen, dames en heren. Op uw gezondheid, zou ik willen zeggen. Fijn dat u allemaal bent gekomen, op deze vroege zondagmorgen. En dat u wilt luisteren naar mijn verhaal over het sublieme in mijn werk.
Een licht gemompel ontstijgt aan de zaal. Een klein kind dat met zijn ouders is meegesleept, vindt in dit moment de gelegenheid om ook hoorbaar een boer te laten.
- Allereerst neem ik u mee langs de klassieke, maar voor sommigen nog zeer actuele gedachten van Edmund Burke over dit onderwerp. En omdat wij mensen van vandaag de dag zijn (mensen van de dag, denkt Pars, terwijl ze door oreert) leg ik een verbinding met hedendaagse opvattingen en theorieen over sublimiteit. Het sublieme, bedoel ik. En ik wil uiteindelijk uitkomen bij mijn eigen werk, dat nu nog hier achter mij voor u verborgen is, maar dat ik straks voor u zal onthullen. Voor degenen die dat willen: na mijn inleiding kunt u uw bod uitbrengen bij mijn galerist Ard. Ze wijst naar rechts.
Pars laat even een stilte vallen en scant de zaal op welwillendheid, maar krijgt geen indicaties. Wat doen die lui hier eigenlijk...
- Edmund Burke was een denker uit de achtiende eeuw, de eeuw van de Romantiek. Hij heeft onder meer nagedacht over hoe het toch kan, dat mensen gefascineerd kunnen zijn door de meest verschrikkelijke beelden. Hij had daar al denkend een verklaring voor gevonden.
Vooraan wil iemand een glas op de rand van het podium zetten, maar stoot het direct weer om.
- Al denkende dus. En die verklaring hield in, dat verschrikkelijke beelden, mits men ze in een veilige omgeving bekijkt, leiden tot een bezetting van de geest. Je wordt erdoor in beslag genomen. Kent u dat?
Er wordt een vinger hoog opgestoken en een serveerder wringt zich met een vol dienblad van de rand van de zaal naar de vrager.
- Bezetting. Je denkt niet meer, je voelt niet meer, althans volgens Burke, je gaat op in de fascinatie voor de dreiging die daar buiten jou zichtbaar is. Dat is belangrijk: je moet wel het idee hebben dat jij en de dreiging uit elkaar te houden zijn en ook blijven, anders werkt het niet. Met het sublieme. En dan kun je vervolgens, in de aanschijn van die verschrikking, een hartstocht, een verlangen ervaren, dat ongekend is. Burke maakt daarbij een onderscheid tussen...
Iemand niest keihard. En roept vervolgens keihard: Sorry! Dat wordt door de andere kant van het gezelschap beantwoord met en even luid: Gezondheid. Gegrinnik.
- ...een onderscheid dus tussen het sublieme en schoonheid. Subliem wordt het alleen als het gaat om associaties met zelfbehoud, met pijn en gevaar. Schoonheid is volgens hem voorbehouden aan verschrikkelijke beelden, die het voorbestaan van de gemeenschap raken. Is het nog te volgen?
- Mam, wanneer gaan we? hoort Pars vanaf rij drie.
- Nu is er een nog jonge Nederlandse denker, ene meneer Rutte, ik weet niet of het familie is, nee, die vindt dat meneer Burke er naast zit met zijn gedachten over het sublieme. Ze zijn het eens over het idee, dat subliem altijd te maken heeft met een onderscheid van object en subject...
Sssst, sist de moeder.
- ... en dat er sprake is van een zeker verrassingseffect. Subliem ervaar je dus kortstondig, het komt van buitenaf. En ze zijn het ook eens over het idee dat de mens op dergelijke momenten iets van, eh, de goddelijke oorsprong beleeft, de zijnsoorsprong, ja, en dat dat dus overweldigend is, ook, maar dan zegt Rutte, dat die ervaring plaats vindt op emotioneel, rationeel en moreel vlak. Geestelijk gezien. Het sublieme is volgens hem esthetisch. Kijk, daar wijkt hij af van Burke. Die maakte het onderscheid tussen esthetisch en subliem en noemt het bovendien irrationeel overweldigend. Ik vind zelf..
Pars onderbreekt zichzelf om even een slokje water te nemen. Ze verslikt zich. Waarvan de zaal gebruik maakt door her en der de bediening eveneens aan te roepen voor een verversing. Luid proestend en naar adem happend hervindt Pars zich na enige tijd. De voorste rijen hebben zich intussen weer naar achteren gericht en zijn in een kabbelende conversatie met de gelederen daarachter verwikkeld.
- ..ik vind zelf dus! Ik vind zelf dus, dat dat helemaal niet kan. Wat Rutte beweert. Je kunt niet een primaire, alles overweldigende innerlijke ervaring hebben op die drie niveaus. Het gaat er nou juist om, denk ik dan, dat je overweldigd wordt. Dan valt er niks meer te denken of te voelen of te vinden. Dan ga je even helemaal op in het moment. In dat verschrikkelijke beeld. Emoties, meningen zijn volgens mij eerder een reactie op een sublieme ervaring, dan dat ze er deel van uitmaken. En dat brengt mij op gedachten en erkende theorieen op andere terreinen dan het denken. In de tijd van Burke was er natuurlijk nog niet zoveel over bekend, maar...
- Je hebt een vlek! roept de klierende kleuter die eigenlijk allang weg had gewild. Pars is van haar stuk gebracht.
- Een vlek, eh..?
- Ja. Op je tiet!
Pars kijkt het kind nu recht aan.
- Pas maar op, zegt ze, als ik erin knijp zit jij straks ook onder.
Punt gemaakt.
- Wat wij nu bijvoorbeeld weten, is dat mensen zich aangetrokken kunnen voelen tot rampen. Ramptoerisme. En dat is volgens professor Paul van Lange helemaal niet altijd een kwalijke zaak. Nee. Mensen willen graag naar rampen kijken, omdat ze daarvan wat te leren hebben. Te leren dus. Voor zichzelf, denk aan het zelfbehoud van Burke, of voor hun naasten. Ramptoeristen blijken volgens onderzoek bijvoorbeeld ook vaak empathische gevoelens te koesteren voor de slachtoffers.
Het wordt wat stiller in de zaal.
- Je kunt dat zien als een soort legitiem voyeurisme, zeg maar...
Nu is het echt stil. De blikken zijn op Pars gericht. Wat heeft dit met jouw werk te maken, drukken enkele vragende ogen uit. Ook afkeuring, her en der. Besmuikt, verlekkerd glimlachen.
- Alles dat afwijkend is, trekt aandacht, is boeiend. Mensen willen er dus van leren. Kunnen omgaan met zo'n dreiging voor als het hen ooit mocht overkomen. Een soort psychologische nieuwsgierigheid. Sensatiezucht, tuurlijk, speelt ook een rol. Maar het hoeft dus niet per se negatief te zijn. Veel van dergelijke voyuers voelen weldegelijk een vorm van schaamte, terwijl ze kijken naar wat ze zien.
- Oeps, een hypnotische suggestie, denkt Pars.
Ze kijkt de zaal monsterend aan. Geen reactie.
- Ons lichaam blijkt dus volgens onderzoeken op afstand empathisch te kunnen reageren. We worden als het ware biologisch geraakt. Dat heeft helemaal niets meer met denken te maken, geloof ik. Het levert ons een gevoel van verbondenheid, van saamhorigheid.
- En nu weer contact maken, denkt Pars, en ze kijkt over de hoofden van haar publiek heen de zaal in.
- De meest extreme vorm van verbondenheid is de alomvattende eenheidservaring. Herkent u de relatie met het sublieme? Deze ervaringen worden in de transpersoonlijke of transcendente psychologie beschreven. Daar hoef je dus ook helemaal geen denker voor te zijn, zoals Burke. Je raakt bij dergelijke ervaringen vervuld van het mysterie, dat in je eigen ziel blijkt te huizen. Daar kunnen die verschrikkelijke beelden ons bij helpen, ons te realiseren dat we een ziel hebben, dat we verbonden zijn met de schepping, diens maker en alles en iedereen om ons heen...
- Nu drijf je wel door, hoor, denkt Pars tussen haar tekst door, maar er komt geen protest uit de zaal.
- En de helpers bij uitstek, op weg naar die innerlijke gewaarwording van eenheid, naar het overstijgen van gevoel en verstand, dat zijn de kunstenaars onder ons. En dat treft, want ik ben een!
Triomfantelijk grijnst Pars haar publiek toe. Een paar koppen knikken hoopvol.
- Dan is nu het moment aangebroken, dat ik mijn nieuwste werk met u zal delen. U heeft het vast al begrepen: met deze productie wil ik u het sublieme doen ervaren. Ik wil bereiken, dat u dezelfde eenheid en verbondenheid gewaarwordt als ik toen ik het maakte.
Rechts van Pars, in de coulissen, begint Ard alvast te klappen. Anderen vallen in, in afwachting van wat ze te zien krijgen.
- Dames en heren, ik presenteer u mijn nieuwste werk! Het heeft alleen geen titel. Dus.
Het zaallicht wordt voluit gezet. Sommigen kijken omhoog, alsof ze voor het eerst de lampen ontdekken. Pars trekt het zwarte doek opzij. De menigte gaapt zichzelf aan in een rij van 11 levensgrote, grijsgetinte spiegels.
Het geklap verstomd.
Het kind roept: Mamma, ik moet nu plassen.
donderdag 15 maart 2012
donderdag 8 maart 2012
waarneming
"Zie je nou wel! Lijkt helemaal nergens op!" Ard blaft naar Pars. Pars kijkt beduusd naar het werk dat in het atelier besproken wordt.
"Maar je herkent toch wel..." piept Pars voorzichtig, hoewel inwendig al ruim geirriteerd over de onwelwillendheid waarmee Ard het werk tegemoet treedt.
"Herkennen?! Dit laat niets aan ruimte meer over om zelfs in de uithoeken van mijn toch koninklijke archief van beelden en indrukken en theorieen en kennis en dergelijke, enzovoort zeg maar, nog enig aanknopingspunt voor mijn eigen fantasie te vinden. Ik kan hier dus helemaal niets mee!"
"Waarom maak je er dan zo druk over? Ik constateer in ieder geval enige consternatie in jouw binnenwereld..", gaat Pars op dezelfde veilige manier van ingehouden frust verder.
"Ik maak me helemaal niet druk! Ik maak me eigenlijk nooit druk! Ik ben bezorgd om jou, besef je dat wel, of er ooit nog wel iets zinnigs van je terecht komt. En ik moet je heel eerlijk zeggen, ik ben maar gewoon eerlijk en direct met je, dat ik daar heel weinig vertrouwen in heb, Parsival van Grieken. Heel weinig vertrouwen. Als je godverdomme al drie jaar hier rondloopt, en nog steeds schildert als een amateur, als een tweedejaars die drie keer is blijven zitten, als een kind dat zijn frustratie in de supermarkt krijsend op de grond aan iedereen opdringt, dan, dan..."Ard hapt even naar adem, en dat geeft Pars de gelegenheid om in te breken op de tirade.
"Ik heb kennelijk toch wel wat bereikt. Ik bedoel, je windt je nu toch duidelijk op over wat je ziet."
"Ik wil dit helemaal niet zien! Ik ben er niet van gediend om dingen zo door mijn strot geduwd te krijgen. Allerlei dingen trouwens. Ook als ik het niet lust, dus. En nou kun jij wel met allerlei arugmenten aan komen zetten, dat het je gaat om je scherpe waarneming, dat je het licht als integrerende factor gebruikt, dat je definieert, moduleert, abstraheert, integreert, maar mij overtuig je niet." Ard had er duidelijk zin in, even lekker tekeer gaan uit opgestapeld ongenoegen.
"Ben je het daar niet mee eens dan? Ik waardeer het ten zeerste dat je mijn schilderswerkwoorden het citeren kennelijk waard vind. En nogmaals: ik merk toch enige beroering.."
"Beroerd, zul je bedoelen. Dat is wat ik van jouw werk word. En bovendien: het zijn niet jouw schilderswerkwoorden, zoals je zegt, maar je hebt ze alleen even lullig op een rijtje gezet. Meer niet, hoor. Ik voel me door jouw werk overrompeld, gevangen gezet. Ik kan geen kant met jou uit. Verstikkend ook. En bovendien slecht geschilderd. Die achtergrond zo, dat kan echt niet. En als je dan een lijn wilt neerzetten, doe dat goed. Alleen die halsband is wel aardig geschilderd. Daar ben je aan het schilderen. Bah!"
"Zou dat werkelijk wat bijdragen aan de kwaliteit van wat ik wil laten zien?" reposteert Pars, die zich intussen bevestigt voelt in de stelling dat je beter jezelf kunt blijven, dan achter de opvattingen van de gevestigde orde aan te sjokken.
"Ja, dat zou heel wat schelen, ja. Zorg eerst maar dat je overtuigend kunt schilderen. Hoewel..dat schiet dus niet erg op in jouw geval. En denk dan ook nog eens diep, heel diep na over wat je nu eigenlijk te vertellen hebt. Ik kan hier geen zak mee. Ik heb dit ook zelden gezien, hoor, zo opdringerig, zo geforceerd, zo, ja, eh, zo buitensporig arrogant..."
"Zo recht op de man of vrouw af, misschien..", vult Pars aan.
"Ja. Zo onbeschaamd rechtstreeks dat ik er gewoon niet meer naar wil kijken. Weet je wat het is? Ik wil doeken zien, die ik als het ware met mijn ogen dicht nog kan volgen. Die mij op een aangename, beeldende manier leiden, begeleiden eigenlijk, ja, naar de rijkdom van mijn, een , een innerlijk leven. Dat wil ik. Dan hebben we het over overtuigende kunst. Hoeft echt niet altijd over leuke dingen te gaan, of zo, echt niet, je mag kritisch zijn wat je wil. Ik wil met mijn ogen dicht in zo'n schilderij rond kunnen wandelen. En bij jou heb ik alleen maar de sterke neiging om weg te gaan van wat ik zie."
Pars dacht: dat is dus precies jouw probleem. Als ik zo zou schilderen, dan is mijn schilderij een wijkplaats voor de angsthazen onder ons. Ik wil niet dat mensen in mijn schilderijen gaan rond sjouwen. Ik jaag ze eigenlijk bewust weg. Het schilderij is een middel om de kijker op zichzelf terug te werpen. Wie dat niet wil, of niet kan...ach, misschien toch wel mijn probleem...zal ik hier ooit nog wat aan verdienen als het altijd zo moet gaan?
"Dan doe jij toch gewoon lekker je ogen dicht!" besluit Pars kortaf. En hou je verder je bek, dacht ze erachter aan, maar ze vond het niet langer de moeite waard om zich met Ard te meten. Dat had verder geen zin. Hoewel ze later toch nog over die halsband zou nadenken.. ergens heeft ze wel met Ard te doen. Ze pakt haar doek, en zet het pontificaal in de etalage. Er hoeft alleen nog even een nieuwe lamp in de spot gedraaid te worden en het plaatje is wat haar betreft af. In ieder geval uniek, kennelijk nog nooit vertoond. Het is goed zo.
"Maar je herkent toch wel..." piept Pars voorzichtig, hoewel inwendig al ruim geirriteerd over de onwelwillendheid waarmee Ard het werk tegemoet treedt.
"Herkennen?! Dit laat niets aan ruimte meer over om zelfs in de uithoeken van mijn toch koninklijke archief van beelden en indrukken en theorieen en kennis en dergelijke, enzovoort zeg maar, nog enig aanknopingspunt voor mijn eigen fantasie te vinden. Ik kan hier dus helemaal niets mee!"
"Waarom maak je er dan zo druk over? Ik constateer in ieder geval enige consternatie in jouw binnenwereld..", gaat Pars op dezelfde veilige manier van ingehouden frust verder.
"Ik maak me helemaal niet druk! Ik maak me eigenlijk nooit druk! Ik ben bezorgd om jou, besef je dat wel, of er ooit nog wel iets zinnigs van je terecht komt. En ik moet je heel eerlijk zeggen, ik ben maar gewoon eerlijk en direct met je, dat ik daar heel weinig vertrouwen in heb, Parsival van Grieken. Heel weinig vertrouwen. Als je godverdomme al drie jaar hier rondloopt, en nog steeds schildert als een amateur, als een tweedejaars die drie keer is blijven zitten, als een kind dat zijn frustratie in de supermarkt krijsend op de grond aan iedereen opdringt, dan, dan..."Ard hapt even naar adem, en dat geeft Pars de gelegenheid om in te breken op de tirade.
"Ik heb kennelijk toch wel wat bereikt. Ik bedoel, je windt je nu toch duidelijk op over wat je ziet."
"Ik wil dit helemaal niet zien! Ik ben er niet van gediend om dingen zo door mijn strot geduwd te krijgen. Allerlei dingen trouwens. Ook als ik het niet lust, dus. En nou kun jij wel met allerlei arugmenten aan komen zetten, dat het je gaat om je scherpe waarneming, dat je het licht als integrerende factor gebruikt, dat je definieert, moduleert, abstraheert, integreert, maar mij overtuig je niet." Ard had er duidelijk zin in, even lekker tekeer gaan uit opgestapeld ongenoegen.
"Ben je het daar niet mee eens dan? Ik waardeer het ten zeerste dat je mijn schilderswerkwoorden het citeren kennelijk waard vind. En nogmaals: ik merk toch enige beroering.."
"Beroerd, zul je bedoelen. Dat is wat ik van jouw werk word. En bovendien: het zijn niet jouw schilderswerkwoorden, zoals je zegt, maar je hebt ze alleen even lullig op een rijtje gezet. Meer niet, hoor. Ik voel me door jouw werk overrompeld, gevangen gezet. Ik kan geen kant met jou uit. Verstikkend ook. En bovendien slecht geschilderd. Die achtergrond zo, dat kan echt niet. En als je dan een lijn wilt neerzetten, doe dat goed. Alleen die halsband is wel aardig geschilderd. Daar ben je aan het schilderen. Bah!"
"Zou dat werkelijk wat bijdragen aan de kwaliteit van wat ik wil laten zien?" reposteert Pars, die zich intussen bevestigt voelt in de stelling dat je beter jezelf kunt blijven, dan achter de opvattingen van de gevestigde orde aan te sjokken.
"Ja, dat zou heel wat schelen, ja. Zorg eerst maar dat je overtuigend kunt schilderen. Hoewel..dat schiet dus niet erg op in jouw geval. En denk dan ook nog eens diep, heel diep na over wat je nu eigenlijk te vertellen hebt. Ik kan hier geen zak mee. Ik heb dit ook zelden gezien, hoor, zo opdringerig, zo geforceerd, zo, ja, eh, zo buitensporig arrogant..."
"Zo recht op de man of vrouw af, misschien..", vult Pars aan.
"Ja. Zo onbeschaamd rechtstreeks dat ik er gewoon niet meer naar wil kijken. Weet je wat het is? Ik wil doeken zien, die ik als het ware met mijn ogen dicht nog kan volgen. Die mij op een aangename, beeldende manier leiden, begeleiden eigenlijk, ja, naar de rijkdom van mijn, een , een innerlijk leven. Dat wil ik. Dan hebben we het over overtuigende kunst. Hoeft echt niet altijd over leuke dingen te gaan, of zo, echt niet, je mag kritisch zijn wat je wil. Ik wil met mijn ogen dicht in zo'n schilderij rond kunnen wandelen. En bij jou heb ik alleen maar de sterke neiging om weg te gaan van wat ik zie."
Pars dacht: dat is dus precies jouw probleem. Als ik zo zou schilderen, dan is mijn schilderij een wijkplaats voor de angsthazen onder ons. Ik wil niet dat mensen in mijn schilderijen gaan rond sjouwen. Ik jaag ze eigenlijk bewust weg. Het schilderij is een middel om de kijker op zichzelf terug te werpen. Wie dat niet wil, of niet kan...ach, misschien toch wel mijn probleem...zal ik hier ooit nog wat aan verdienen als het altijd zo moet gaan?
"Dan doe jij toch gewoon lekker je ogen dicht!" besluit Pars kortaf. En hou je verder je bek, dacht ze erachter aan, maar ze vond het niet langer de moeite waard om zich met Ard te meten. Dat had verder geen zin. Hoewel ze later toch nog over die halsband zou nadenken.. ergens heeft ze wel met Ard te doen. Ze pakt haar doek, en zet het pontificaal in de etalage. Er hoeft alleen nog even een nieuwe lamp in de spot gedraaid te worden en het plaatje is wat haar betreft af. In ieder geval uniek, kennelijk nog nooit vertoond. Het is goed zo.
donderdag 27 oktober 2011
expressie, expres zo
In het kader van nadenken over kunsttheorieen stuiten wij vandaag op de zogenoemde expressietheorieen.
Kortgezegd houden deze opvatting in, dat kunst in essentie een uitdrukking is of zou moeten zijn van wat de kunstenaar ervaart. En vervolgens, dan wordt het complex, dat het ofwel de bedoeling is dat de kijker datzelfde gevoel of idee gaat ervaren, ofwel dat de kijker zedelijk gesticht wordt door aanschouwing van het artistieke product, ofwel zich herkent in het product en diens maker, ofwel het achterliggend concept van een artefact doorgrondt en zo zijn er nog wel meer gepretenteerde uitwerkingen van de expressie van een kunstenaar te bedenken.
In deze verhandeling ga ik op zoek naar mijn positie ten aanzien van expressie. Daarbij richt ik mij vooral op hoe ik hetgeen mij roert kan of zou moeten veruitwendigen in een heus kunstwerk. Het oogmerk wat mij hierbij voor de geest staat is het maximale effect; hoe kan ik zo goed en duidelijk mogelijk mijn boodschap ventileren.
Het eerste probleem waar ik dan tegenop loop, is het definieren van het mij toebedeelde publiek dan wel het mij welgevallige publiek. Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik daar nog de ballen van lijk te snappen. Ik heb werkelijk geen idee wie geinteresseerd zijn of zouden kunnen worden in wat ik maak. Ik heb natuurlijk wel een ambitie ten aanzien van degenen die ik zou willen treffen: het liefst een uiterst gevoelig - niet pathologisch, nee, dat dus niet - en bijzonder intellectueel gezelschap van overmatig rijken die met graagte enige miljoenen voor mijn fratsen neer wensen te tellen. En dat dan ook weer niet postuum, hoewel mijn kinderen daar zeker bij gebaat zullen zijn, maar het liefst bij leven en welzijn. Hoe bedoelt u, een irrealistisch wereldbeeld?!
Bij het ontstaan van mijn werkjes spelen twee belangrijke interne bronnen een rol: mijn gevoel en mijn verstand. Over de actuele status van liquiditeit slash solvabiliteit doe ik op dit moment geen uitspraken. In tijden van wereldwijde crisis moet ook een kunstenmakerd voorzichtig zijn.
Eerder maakte ik een filmpje, waarin ik de romantische doelstelling verwoord, dat ik streef naar een synthese van gevoel en verstand. Voor zover mijn verstand zich in mijn kont bevindt, heb ik dat volgens enkele kritische omstanders al aardig bereikt. Voor hen doe ik verder geen pogingen tot nadere integratie.
Voor hen die wel willen weten waar ik mee worstel, zal ik hieronder nader ingaan op de volgende vragen:
- hoe brengen wij ideeen over?
- hoe brengen wij gevoelens over?
- wat betekent dat voor mijn eigen particuliere positie als erkend kunstenaar in oprichting?
Hoe brengen wij ideeen over?
Volgens Barry Nouwt (erkend onderzoeker op dit gebied) brengen wij ideeen over via woorden. Deze opvatting heeft hij gejat van ene meneer Locke, een denker uit de 17e eeuw. Deze Locke had bedacht, dat ieder mens een soort van prive-verzameling aan ideeen bezit en deze koppelt aan woorden. Die woorden maken het dan weer mogelijk om over ideeen met ander uit te wisselen. Probleem is echter, dat wat prive is over het algemeen ook prive blijft. Hoe weet een kijker nou welk prive-idee ik wens uit te drukken in zeg maar een schilderij? De oplossing volgens Nouwt is dat wij naar een volgend stadium van conceptueel denken moeten evolueren en daar meent hij de idee van web-van-ideeen aan te kunnen treffen. Dat komt erop neer dat ik als kunstenaar waarschijnlijk een reeks aan elkaar gekoppelde eigenschappen van een bepaald idee in mijn hoofd heb en dat de hoop bestaat dat derden een soortgelijke manier van toekenning van eigenschappen aan ideeen zullen ervaren. Maar, o wee, wie controleert dit, en hoe zou die controle eruit moeten zien? Ideeen blijven aldus nog even onkenbaar, oncontroleerbaar en onvergelijkbaar als zij in de tijd van het ontstaan van de eerste expressietheorieen al waren. En dat is al behoorlijk lang geleden. Laat staan dat wij al zover uitgerijpt zouden zijn dat we een veilige theorie over overdracht van ideeen voorhanden hebben.
Hoe brengen wij gevoelens over?
Om enig zicht op het antwoord op deze vraag te krijgen, grijp ik terug op een oude klassieker. Dat hij zich onder romantische tijdgenoten bevindt, laat ik nu maar even buiten beschouwing. Ik heb het over Freud, S. Deze Oostenrijkse psychiater determineerde het verschijnsel "overdracht" (en tegen-overdracht). Kenmerkend is hierbij dat persoonlijke gevoelens worden toegeschreven aan een externe factor. Heel herkenbaar: pappa was niet lief, dus vriendje is nu ook niet lief. Lijkt mij in ieder geval een garantie voor inkomsten van erkende beroepspeuteraars.
Overdracht is echter weer wat anders dan projectie, een begrip waar Freud maar bijvoorbeeld ook Jung, nader aan gesleuteld hebben. Bij projectie gaat het de voeler erom, dat hij of zij een situatie creeert die lijkt op een eerder beleefde toestand, met als doel om zich voordoende ongemakken te herstellen. Een soort onbewust helingsproces dus. Voor de volledigheid merk ik op, dat projecties niet louter uit negatief ervaren gevoelens komen, gelet op dat beoogde herstel, maar dat men ook in positieve zin kan projecteren. In dat geval is er meer sprake van wishfullthinking: deze leraar gaat mij gegarandeerd een hele hoop interessants aanleren (ook al vind ik hem of haar een klootzak).
De kunstenaar in mij zou dus bewust gebruik kunnen maken van deze principes van overdracht en projectie. Maar echt zeker van mijn zaak ben ik dan nog niet. Wie garandeert mij namelijk met keihard wetenschappelijk bewijs, dat datgene wat ik toon ook daadwerkelijk enige beroering veroorzaakt in de aanschouwers?
Wat Freud en Jung en zo niet wisten, is dat wij tegenwoordig over kennis van zogenaamde spiegelneuronen beschikken. Dit zijn neuronen die actief worden wanneer primaten (dus ook de mensch) zich geconfronteerd zien met een handeling dan wel een gemoedstoestand bij een ander. Het komt erop neer dat als ik iemand zie eten, in mijn hoofd die hersengebieden actief worden die ik zelf gebruik als ik ook zou eten. Maar het betekent eveneens dat als ik iemand met een vertrokken gezicht zijn tranen in zie houden, ik dan mijn eigen ingehouden verdriet voel. Allerlei interessante onderzoeken, (Parma, Italie; Groningen, Nederland) tonen via hersenscans aan dat dit verschijnsel zich daadwerkelijk manifesteert.
Een verrijkende toevoeging op deze bevindingen is, dat spiegelneuronen actiever zijn als het gaat om handelingen (werkwoorden en dergelijke) en dat zij eveneens sterk actiever zijn als de kijker anticipeert op diens eigen inbreng op het vervolg van die handeling. Daarom jeuken de handen van ouders bijvoorbeeld schier onbeheersbaar als zij hun kind op een klungelige wijze veters zien strikken. De spiegelneuronen van deze ouders hebben dan allang een strategie bedacht om snel en handig en effectief in te kunnen grijpen in het ontoelaatbare geklootzak van hun spruit.
Interessant is dat mensen die een plek hebben toebedeeld gekregen ergens op het autistisch spectrum, deze activiteit van spiegelneuronen nagenoeg ontberen.
Wat staat mij dus te doen?
Ik zou er dus goed aan doen mij als schilder te bekwamen in het weergeven van handelingen, en dat dan het liefst uitgevoerd door van herkenbare emotie overlopende figuren.
In een eerder blog schreef ik u al iets soortgelijks: de meeste indruk maakt een artiest als hij werkwoorden verbeeldt.
Vervolgens is intussen volstrekt duidelijk, dat de spiegelneuronen van mijn publiek geactiveerd zullen worden, mits ik als kunstenaar effectief in staat blijk om handelingen in combi met emoties op het doek te projecteren. Komen wij aldus toch weer uit bij de essentie van vorm: want hoe kan ik overtuigend een van woede vloekende timmerman afbeelden die zich zojuist in zijn rug heeft gezaagd, als ik niet enige beheersing van vorm tot mijn gereedschap kan rekenen? Aan mij dus de schone taak om mij bewust te worden van de overdracht en projecties in mijn binnenwereld en die zo mimetisch als mogelijk te vertalen naar fraaie vormen. Want over schoonheid hebben we het in dit verband nog helemaal niet gehad, maar ik kan u wel vertellen dat de mens een universeel gevoel voor schoonheid lijkt te bezitten. Bovendien lachen babies eerder naar een mooi gezicht dan naar een tot leven gewekte oude heks.
Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt verder, dat autisme of een van de varianten daarvan voornamelijk bij mannen voorkomt en dat van de mannelijke populatie meer dan de helft diagnostiseerbare kenmerken vertoont. Nu weet ik niet of vooral ook mannen musea bezoeken. Dus wat dat betreft heb ik nog hoop.
Als ik aan de vrouwen in deze wereld via processen in mijn en hun brein kan overbrengen wat ik bedoeld heb, dan wel een autonome reactie kan veroorzaken die op haar beurt weer langdurige positieve effecten heeft, dan ben ik als denkend en voelend mens eigenlijk al heel geslaagd. Maar dit is makkelijker gezegd dan gedaan, dat spreekt voor zich.
Het was mij weer een genoegen.
Hierbij nog enkele plaatjes van recente producties. Het eerste fenomeen betreft mijn verzamelde waarneming omtrent het uitsterven van de carolina-parakeet in de VS in de tweede helft van de negentiende eeuw; de tweede is een eigen interpretatie van st. Antonius uit het Isenheimer Altar. Veel heilzame hersenarbeid hiermede.
Graag tot later,
uw kather
Kortgezegd houden deze opvatting in, dat kunst in essentie een uitdrukking is of zou moeten zijn van wat de kunstenaar ervaart. En vervolgens, dan wordt het complex, dat het ofwel de bedoeling is dat de kijker datzelfde gevoel of idee gaat ervaren, ofwel dat de kijker zedelijk gesticht wordt door aanschouwing van het artistieke product, ofwel zich herkent in het product en diens maker, ofwel het achterliggend concept van een artefact doorgrondt en zo zijn er nog wel meer gepretenteerde uitwerkingen van de expressie van een kunstenaar te bedenken.
In deze verhandeling ga ik op zoek naar mijn positie ten aanzien van expressie. Daarbij richt ik mij vooral op hoe ik hetgeen mij roert kan of zou moeten veruitwendigen in een heus kunstwerk. Het oogmerk wat mij hierbij voor de geest staat is het maximale effect; hoe kan ik zo goed en duidelijk mogelijk mijn boodschap ventileren.
Het eerste probleem waar ik dan tegenop loop, is het definieren van het mij toebedeelde publiek dan wel het mij welgevallige publiek. Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik daar nog de ballen van lijk te snappen. Ik heb werkelijk geen idee wie geinteresseerd zijn of zouden kunnen worden in wat ik maak. Ik heb natuurlijk wel een ambitie ten aanzien van degenen die ik zou willen treffen: het liefst een uiterst gevoelig - niet pathologisch, nee, dat dus niet - en bijzonder intellectueel gezelschap van overmatig rijken die met graagte enige miljoenen voor mijn fratsen neer wensen te tellen. En dat dan ook weer niet postuum, hoewel mijn kinderen daar zeker bij gebaat zullen zijn, maar het liefst bij leven en welzijn. Hoe bedoelt u, een irrealistisch wereldbeeld?!
Bij het ontstaan van mijn werkjes spelen twee belangrijke interne bronnen een rol: mijn gevoel en mijn verstand. Over de actuele status van liquiditeit slash solvabiliteit doe ik op dit moment geen uitspraken. In tijden van wereldwijde crisis moet ook een kunstenmakerd voorzichtig zijn.
Eerder maakte ik een filmpje, waarin ik de romantische doelstelling verwoord, dat ik streef naar een synthese van gevoel en verstand. Voor zover mijn verstand zich in mijn kont bevindt, heb ik dat volgens enkele kritische omstanders al aardig bereikt. Voor hen doe ik verder geen pogingen tot nadere integratie.
Voor hen die wel willen weten waar ik mee worstel, zal ik hieronder nader ingaan op de volgende vragen:
- hoe brengen wij ideeen over?
- hoe brengen wij gevoelens over?
- wat betekent dat voor mijn eigen particuliere positie als erkend kunstenaar in oprichting?
Hoe brengen wij ideeen over?
Volgens Barry Nouwt (erkend onderzoeker op dit gebied) brengen wij ideeen over via woorden. Deze opvatting heeft hij gejat van ene meneer Locke, een denker uit de 17e eeuw. Deze Locke had bedacht, dat ieder mens een soort van prive-verzameling aan ideeen bezit en deze koppelt aan woorden. Die woorden maken het dan weer mogelijk om over ideeen met ander uit te wisselen. Probleem is echter, dat wat prive is over het algemeen ook prive blijft. Hoe weet een kijker nou welk prive-idee ik wens uit te drukken in zeg maar een schilderij? De oplossing volgens Nouwt is dat wij naar een volgend stadium van conceptueel denken moeten evolueren en daar meent hij de idee van web-van-ideeen aan te kunnen treffen. Dat komt erop neer dat ik als kunstenaar waarschijnlijk een reeks aan elkaar gekoppelde eigenschappen van een bepaald idee in mijn hoofd heb en dat de hoop bestaat dat derden een soortgelijke manier van toekenning van eigenschappen aan ideeen zullen ervaren. Maar, o wee, wie controleert dit, en hoe zou die controle eruit moeten zien? Ideeen blijven aldus nog even onkenbaar, oncontroleerbaar en onvergelijkbaar als zij in de tijd van het ontstaan van de eerste expressietheorieen al waren. En dat is al behoorlijk lang geleden. Laat staan dat wij al zover uitgerijpt zouden zijn dat we een veilige theorie over overdracht van ideeen voorhanden hebben.
Hoe brengen wij gevoelens over?
Om enig zicht op het antwoord op deze vraag te krijgen, grijp ik terug op een oude klassieker. Dat hij zich onder romantische tijdgenoten bevindt, laat ik nu maar even buiten beschouwing. Ik heb het over Freud, S. Deze Oostenrijkse psychiater determineerde het verschijnsel "overdracht" (en tegen-overdracht). Kenmerkend is hierbij dat persoonlijke gevoelens worden toegeschreven aan een externe factor. Heel herkenbaar: pappa was niet lief, dus vriendje is nu ook niet lief. Lijkt mij in ieder geval een garantie voor inkomsten van erkende beroepspeuteraars.
Overdracht is echter weer wat anders dan projectie, een begrip waar Freud maar bijvoorbeeld ook Jung, nader aan gesleuteld hebben. Bij projectie gaat het de voeler erom, dat hij of zij een situatie creeert die lijkt op een eerder beleefde toestand, met als doel om zich voordoende ongemakken te herstellen. Een soort onbewust helingsproces dus. Voor de volledigheid merk ik op, dat projecties niet louter uit negatief ervaren gevoelens komen, gelet op dat beoogde herstel, maar dat men ook in positieve zin kan projecteren. In dat geval is er meer sprake van wishfullthinking: deze leraar gaat mij gegarandeerd een hele hoop interessants aanleren (ook al vind ik hem of haar een klootzak).
De kunstenaar in mij zou dus bewust gebruik kunnen maken van deze principes van overdracht en projectie. Maar echt zeker van mijn zaak ben ik dan nog niet. Wie garandeert mij namelijk met keihard wetenschappelijk bewijs, dat datgene wat ik toon ook daadwerkelijk enige beroering veroorzaakt in de aanschouwers?
Wat Freud en Jung en zo niet wisten, is dat wij tegenwoordig over kennis van zogenaamde spiegelneuronen beschikken. Dit zijn neuronen die actief worden wanneer primaten (dus ook de mensch) zich geconfronteerd zien met een handeling dan wel een gemoedstoestand bij een ander. Het komt erop neer dat als ik iemand zie eten, in mijn hoofd die hersengebieden actief worden die ik zelf gebruik als ik ook zou eten. Maar het betekent eveneens dat als ik iemand met een vertrokken gezicht zijn tranen in zie houden, ik dan mijn eigen ingehouden verdriet voel. Allerlei interessante onderzoeken, (Parma, Italie; Groningen, Nederland) tonen via hersenscans aan dat dit verschijnsel zich daadwerkelijk manifesteert.
Een verrijkende toevoeging op deze bevindingen is, dat spiegelneuronen actiever zijn als het gaat om handelingen (werkwoorden en dergelijke) en dat zij eveneens sterk actiever zijn als de kijker anticipeert op diens eigen inbreng op het vervolg van die handeling. Daarom jeuken de handen van ouders bijvoorbeeld schier onbeheersbaar als zij hun kind op een klungelige wijze veters zien strikken. De spiegelneuronen van deze ouders hebben dan allang een strategie bedacht om snel en handig en effectief in te kunnen grijpen in het ontoelaatbare geklootzak van hun spruit.
Interessant is dat mensen die een plek hebben toebedeeld gekregen ergens op het autistisch spectrum, deze activiteit van spiegelneuronen nagenoeg ontberen.
Wat staat mij dus te doen?
Ik zou er dus goed aan doen mij als schilder te bekwamen in het weergeven van handelingen, en dat dan het liefst uitgevoerd door van herkenbare emotie overlopende figuren.
In een eerder blog schreef ik u al iets soortgelijks: de meeste indruk maakt een artiest als hij werkwoorden verbeeldt.
Vervolgens is intussen volstrekt duidelijk, dat de spiegelneuronen van mijn publiek geactiveerd zullen worden, mits ik als kunstenaar effectief in staat blijk om handelingen in combi met emoties op het doek te projecteren. Komen wij aldus toch weer uit bij de essentie van vorm: want hoe kan ik overtuigend een van woede vloekende timmerman afbeelden die zich zojuist in zijn rug heeft gezaagd, als ik niet enige beheersing van vorm tot mijn gereedschap kan rekenen? Aan mij dus de schone taak om mij bewust te worden van de overdracht en projecties in mijn binnenwereld en die zo mimetisch als mogelijk te vertalen naar fraaie vormen. Want over schoonheid hebben we het in dit verband nog helemaal niet gehad, maar ik kan u wel vertellen dat de mens een universeel gevoel voor schoonheid lijkt te bezitten. Bovendien lachen babies eerder naar een mooi gezicht dan naar een tot leven gewekte oude heks.
Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt verder, dat autisme of een van de varianten daarvan voornamelijk bij mannen voorkomt en dat van de mannelijke populatie meer dan de helft diagnostiseerbare kenmerken vertoont. Nu weet ik niet of vooral ook mannen musea bezoeken. Dus wat dat betreft heb ik nog hoop.
Als ik aan de vrouwen in deze wereld via processen in mijn en hun brein kan overbrengen wat ik bedoeld heb, dan wel een autonome reactie kan veroorzaken die op haar beurt weer langdurige positieve effecten heeft, dan ben ik als denkend en voelend mens eigenlijk al heel geslaagd. Maar dit is makkelijker gezegd dan gedaan, dat spreekt voor zich.
Het was mij weer een genoegen.
Hierbij nog enkele plaatjes van recente producties. Het eerste fenomeen betreft mijn verzamelde waarneming omtrent het uitsterven van de carolina-parakeet in de VS in de tweede helft van de negentiende eeuw; de tweede is een eigen interpretatie van st. Antonius uit het Isenheimer Altar. Veel heilzame hersenarbeid hiermede.
Graag tot later,
uw kather
maandag 19 september 2011
romantiek; aan tante truus en oom henk
Beste tante Truus en oom Henk,
Ik hoop vooral dat u er even bij stil wilt staan. Dat u de
moeite wilt nemen om even na te denken wat de door mij geproduceerde beelden bij uzelf oproepen.
Misschien doe ik u aldus wel denken aan iets wat u ooit geraakt heeft, in
positieve of in negatieve zin. Misschien herkent u in de excentriciteit van
mijn beelden een situatie uit uw dagelijks leven, waarbij u nog niet weet hoe
die te duiden. Ik hoop dat u dan wat aan mijn beelden heeft. Dat ze u mogen
helpen om u bewust te worden van al die merkwaardige zaken die u omringen. Dan
zou ik al heel tevreden zijn.
Uw nichtje
PSbijgaand enkele plaatjes. Deze heb ik niet echt zelf verzonnen; het zijn copieen van stukjes van het Isenheimer Altar, van Matias Gruenewald.Wat vindt u ervan?
vrijdag 16 september 2011
romantiek; integriteit en identiteit
Dames en heren,
tijdens de plenaire beslommeringen van de kunstfilosofie afgelopen woensdag, kwamen een aantal interessante vragen naar voren. Een tweetal daarvan trok mijn bijzondere belangstelling en daarop zal ik hieronder ingaan.
De eerste vraag betrof de eeuwige onzekerheid die sommigen lijden over een al dan niet terechte toepassing van het predikaat subjectief op de wereld van de kunsten. Deze kwestie intrigeert mij, omdat zij mij uitdaagt tot bezinning en stellingname omtrent zoiets essentieel menselijks als subjectiviteit.
De tweede vraag handelde over de legitimiteit van de veronderstelling dat hedendaagse kunst zich in een deplorabele identiteitscrisis bevindt. En dit probleem trekt mij tot zich aan vanwege allerhande persoonlijke herkenningspunten en de toepassing daarvan op algemene fenomena die eveneens onlosmakelijk bij de mensheid schijnen te horen.
Is kunst subjectief?
Het eerste dat u zich hierbij kunt afvragen is hoe de term subjectief hier bedoeld wordt. Gaat het hier om de alledaagse betekenis, zoals weergegeven in de Wikipedia:
Subjectiviteit houdt in het persoonlijk oordeel of de persoonlijke zienswijze van een individu, betrekking hebbend op of uitgaand van de persoonlijke zienswijze of smaak.
Zo wordt bijvoorbeeld iets wat men uit eigen ervaring heeft meegemaakt als subjectieve ervaring aangemerkt. Dit zal vooral zo zijn als er anderen zijn die onder dezelfde omstandigheden niet hetzelfde hebben ervaren.
Ook wanneer een aantal mensen iets heeft waargenomen of heeft ervaren dat niet door andere mensen kan worden waargenomen (bijvoorbeeld een mistieke ontmoeting met uw god, kl) wordt dit als een subjectieve ervaring beschouwd.
Of hebben we het hier meer over de filosofische invulling van het begrip subjectiviteit:
Wel dient de woordenboekbetekenis (waar het begrip "subjectief" enigszins een relativerend karakter heeft) goed onderscheiden te worden van de filosofische betekenis, omdat men er in de filosofie in het algemeen naar het kennende ik mee verwijst (en zijn bewustzijn). Waarheid en subjectiviteit zijn dus niet per definitie tegenstrijdig aan elkaar.Wederom volgens de Wikipedia.
U zult het al wel voelen aankomen: het gaat hier in het boven aangehaalde kader der kunstfilosofie uiteraard om de laatste betekenis.
Daar kunnen wij uit dezelfde bron nog aan toevoegen:
Subject (van het latijnse subicere, subiectum, als vertaling van het griekse hupokeimenon of hypokeimenon) betekent letterlijk het ondergeworpene, het onderliggende. Door Aristoteles kwam het begrip in gebruik in de zin van substantie, dat is de wezenskern van het ding, datgene wat blijft bestaan onder wisselende omstandigheden.
Ná de 17e eeuw kreeg het echter een totaal andere betekenis; het werd het psychologische of epistemologische ik: datgeen wat aan de bewustzijnstoestanden ten grondslag ligt. Het denkende ik, het subject, wordt dan onderscheiden van het niet-ik ofwel het object. Dit object is een voorwerp, ding, zaak, entiteit of wezen, en kan van materiële of onstoffelijke aard zijn.
In filosofische zin is een subject een "zijnde" dat subjectieve ervaringen of relaties met een andere entiteit (of "object") kan hebben. Een subject is de waarnemer, terwijl een object naar het waargenomene verwijst.
Nu zullen de kenners onder u wellicht weten, dus mogelijk vermeld ik het hier ten overvloede, dat de romantici (grofweg vanaf 1850 tot pak hem beet 1890) programmatisch het subjectivisme propageerde. Wat bedoelden zij daar dan weer mee? De romantici gingen er vanuit dat het individu onderdeel is van het al. Jawel. Dus wie last had van identiteitgerelateerde spanningen behoefde slechts een blik te werpen op diens omgeving, zich er even geestelijk mee te verbinden, een spirituele connectie zeg maar, en opgelost was het probleem. Men kon naar believen voort op het pad des levens als zijnde een geheel met de bakstenen muren die hem of haar omgeven, maar evenzogoed ook met het blauwe uitspansel dat tot ongekende verten reikt. Over identiteitsproblematiek straks meer.
In de zin dat de romantiek haar sporen in de hedendaagse kunst heeft na gelaten, kunnen wij ons dus afvragen, of wij kunst (wat is dat eigenlijk?) nog immer als subjectief ervaren. Ik richt mij voor het gemak alleen even op het kunstonderwijs. Ten eerste omdat ik mij daar zelf vrijwillig aan ten prooi stel en ten tweede omdat in de opleiding vaak de ware geest van de beroepsgroep merkbaar wordt. In het gezellenstadium worden wij onderworpen aan allerlei expliciete en impliciete moetens die - of wij dat nu willen of niet - onze beroepshouding zullen bepalen. Is kunst(-onderwijs) (nog) subjectief te noemen in kunstfilosofische zin?
Als wij het hebben over de wijdverbreide ervaring onder studenten, dat wat een docent tegen de een zegt, bij de ander in omgekeerde versie te berde kan worden gebracht, is er sprake van subjectiviteit in banale zin. Er is volgens sommigen van mijn collega's een schrijnend tekort aan een eenduidige koppeling tussen normen en cijferwaardering. Maar: in dit geval zou ik niet willen spreken van subjectiviteit in kunstfilosofische zin. Dit riekt, voor zover er al sprake van is, eerder naar willekeur. Sterker nog: een docent die een voorkeur heeft voor een bepaalde student en daarom diens prestaties hoger waardeert zonder dat daar objectieve gronden voor aan te wijzen zijn, is een alledaags verschijnsel waarin de wereld van de kunst zich niet onderscheidt van overige beroepsgroepen. Menselijke sym- en antipathieen zijn nu eenmaal ingebakken; normenstelsel kunnen in theorie eenduidig zijn, maar bij menselijke toepassing komt er die speciale twist bij kijken, dat tikje onregelmatige van zuiver handwerk.
Is er in de kunstwereld en in het dito onderwijs dan helemaal geen sprake van enige objectieveerbare systematiek waarmee zowel de intimi als de relatieve buitenstaanders het proces en haar producten benaderen? Eerlijk gezegd weet ik het niet. Maar ik zou dit natuurlijk allemaal niet opschrijven als ik niet een bepaald vermoeden had. En dat is, dat als er onderzoek naar gedaan zou worden, in mijn beleving waarschijnlijk tamelijk inerte waarden getraceerd kunnen worden die de kunst en haar makers bewegen. Een van die waarden zou bijvoorbeeld kunnen zijn: gij zult vernieuwen; een typisch post-modernistisch dogma. Een andere waarde zou kunnen zijn: weest expressief over wat u van binnen beroert, lukt dat niet weest dan geniaal. Kijk, hier klinken twee romantische paradigma's door. Maar dan wel levend in de huidige tijdgeest en diens uiterlijke verschijningsvormen. Conclusie ten aanzien van de eerste vraag die mij bezighield, is dan ook - zij het op basis van vermoedens - dat kunst best wel objectief te noemen is. Dan weet u dat weer. Gaan wij naar de tweede vraag.
Verkeert de hedendaagse kunst in een identiteitscrisis?
Als wij op deze impliciete stelling het romantisch programma los laten, dan zou dit een onmogelijkheid inhouden. Immers: kunst is subjectief in filosofische zin, dus zoek een object waarmee je samen wenst te vallen en je hebt weer houvast. Toch kan ik niet ontkennen dat velen het over een identiteitscrisis hebben als zij over kunst van vandaag de dag filosoferen. Op zich vind ik dat een gevaarlijke benaderingswijze: dit soort negativiteit gaat gemakkelijk een eigen leven leiden, en als je op school al te horen krijgt dat je je in een crisis bevindt dan wordt het er niet makkelijker op om eigenwijs je integriteit te bewaken of daar zelfs maar marginaal in te geloven.
Ik vraag mij trouwens ueberhaupt af of het wel zo terecht is om van een dergelijke crisis uit te gaan. Ik heb veel meer het idee dat onzekerheden net zo ingebakken zijn in de kunst en haar beoefenaars als bij andere economische partijen. Hoewel. Daar zou misschien toch een punt te maken zijn, door de depressieve pessimisten die graag denken dat het echt de verkeerde kant op gaat. Want kunst is dan wel een economische marktpartij, het beeld bestaat dat wij vooral van subsidies leven en verder eigenlijk tot weinig in staat zijn. Net zo'n soort vooroordeel als dat over ambtenaren bestaat (lui, maar duurbetaald). Maar van die ambtenaren snapt iedereen, inclusief de ambtenaren zelf, dat we als maatschappij toch niet onder hun bestaan en in stand houding uit kunnen, dus een echt legitimatieprobleem heeft de vierde macht niet. Ik bedoel: het is vanzelfsprekend dat het overheidsapparaat er is en dus wat kost. Bij de kunst is dit nu wel anders. Onder invloed van genoemd vooroordeel, onder invloed van populistische praktijken, huldigen velen (vaak bij de borrel) het stanpunt dat kunstenaars uitvreters zijn. Ze moeten dus wel heel erg goed zijn om bestaansrecht, lees een economisch marktaandeel, te kunnen verwerven. De identiteitscrisis die velen menen te diagnostiseren is in mijn ogen dan ook niet meer dan een legitimatie-eis die hoger is dan bij andere sectoren. Is dat erg? Nee, als we daar wijs mee omgaan, een goede pr of zoiets, dan hoeft er niet veel aan de hand te zijn. Er zullen wellicht lieden zijn die het aan communicatieve vaardigheden ontbeert en die daardoor tegenover een tante Truus moeilijk kunnen duidelijk maken, wat het belang is van hun werk. En er zijn inderdaad een hoop van dergelijke tantes, die misschien nog wel enige belangstelling voor de kunst aan de dag kunnen leggen, maar die zich niet echt willen verplaatsen in de belevingswereld van de makers. Dat kan tot opgekropte onrechtvaardigheidsgevoelens leiden. Het voordeel daarvan is dan weer, dat dit een mooie impuls kan zijn voor romantisch-dramatische expressie; weer een prachtig kunstwerk dus. De beroepsgroep van de medici heeft met een soortgelijk gegeven te doen: dokter, ik hep pain aan me hart, het komp van de chlorestorol, ik mot statines hebbe. Zelluf uitgevonden op internet. Maar denk maar niet dat die artsen daarvan wakker liggen; die worden er nog ietsjes arroganter van en doen ondanks dat hun best om zo goed mogelijk met de zieke te communiceren.
Leidt de verhoogde legitimatie-eis tot een identiteitscrisis? Ben je gek, het lijkt mij eerder een aanleiding om je extra bewust te zijn van je identiteit als je hem nadrukkelijker moet verdedigen. Is er dan iets bijzonders aan de hand met al die angstige kunstenmakers die zich toch behoorlijk ellendig voelen in het huidige politieke klimaat? Nee hoor. Het enige probleem dat zij hebben is dat zij niet goed begrepen worden. Dat klinkt bekend, nietwaar: het romantische beeld van de onbegrepen doch geweldige kunstenmakerd. Dat komt enerzijds door de taal die zij onderling en in interactie met de buitenwereld bezigen. En dat komt anderzijds doordat moderne kunstenaars, in navolging dus van de romantici die hen voorgingen, veelal ernstig in de krochten van hun ziel afdalen om tot een overtuigende schepping te komen. En ik zei het al: degenen die dat niet kunnen of er niet voor over hebben doen gewoon geniaal. Dat niet-begrepen-zijn maakt kunst al sinds tijden lang zo noodzakelijk. Kunst is in mijn opvatting dan ook bij uitstek die tak van sport waarbij het soms letterlijk uit je tenen moet komen. Dat kun je van een gemiddelde ambtenaar over het algemeen toch niet zeggen. Geloof me, ik ben er zelf jarenlang een geweest.
Conclusie ten aanzien van vraag twee is dan ook, dat er in het geheel geen sprake is van enige identiteitscrisis in de kunt what so ever. Dat we bovendien op moeten houden onszelf dat aan te praten. En dat we hooguit wat meer dan andere participanten in het maatschappelijk gekrakeel, wat meer aan innerlijke bezinning doen.
Wacht even. Bij nader inzien, ik kijk nu even om mij heen en ga na met welke kunstenaars ik mij volomen bezonnen kan identificeren, trek ik die laatste conclusie weer in. Lang niet alle kunstenaars, zowel de ons reeds ontvallenen als de nog actieven, leiden een zich immer verdiepend bestaan. Sommigen blijven daadwerkelijk hangen in de verdrietige constatering dat ze zich onheus bejegend voelen. De slotsom zou daarom moeten zijn dat kunstenaars in geen enkel opzicht afwijken van gewonen mensen. Ook niet qua onzekerheden.
tijdens de plenaire beslommeringen van de kunstfilosofie afgelopen woensdag, kwamen een aantal interessante vragen naar voren. Een tweetal daarvan trok mijn bijzondere belangstelling en daarop zal ik hieronder ingaan.
De eerste vraag betrof de eeuwige onzekerheid die sommigen lijden over een al dan niet terechte toepassing van het predikaat subjectief op de wereld van de kunsten. Deze kwestie intrigeert mij, omdat zij mij uitdaagt tot bezinning en stellingname omtrent zoiets essentieel menselijks als subjectiviteit.
De tweede vraag handelde over de legitimiteit van de veronderstelling dat hedendaagse kunst zich in een deplorabele identiteitscrisis bevindt. En dit probleem trekt mij tot zich aan vanwege allerhande persoonlijke herkenningspunten en de toepassing daarvan op algemene fenomena die eveneens onlosmakelijk bij de mensheid schijnen te horen.
Is kunst subjectief?
Het eerste dat u zich hierbij kunt afvragen is hoe de term subjectief hier bedoeld wordt. Gaat het hier om de alledaagse betekenis, zoals weergegeven in de Wikipedia:
Subjectiviteit houdt in het persoonlijk oordeel of de persoonlijke zienswijze van een individu, betrekking hebbend op of uitgaand van de persoonlijke zienswijze of smaak.
Zo wordt bijvoorbeeld iets wat men uit eigen ervaring heeft meegemaakt als subjectieve ervaring aangemerkt. Dit zal vooral zo zijn als er anderen zijn die onder dezelfde omstandigheden niet hetzelfde hebben ervaren.
Ook wanneer een aantal mensen iets heeft waargenomen of heeft ervaren dat niet door andere mensen kan worden waargenomen (bijvoorbeeld een mistieke ontmoeting met uw god, kl) wordt dit als een subjectieve ervaring beschouwd.
Of hebben we het hier meer over de filosofische invulling van het begrip subjectiviteit:
Wel dient de woordenboekbetekenis (waar het begrip "subjectief" enigszins een relativerend karakter heeft) goed onderscheiden te worden van de filosofische betekenis, omdat men er in de filosofie in het algemeen naar het kennende ik mee verwijst (en zijn bewustzijn). Waarheid en subjectiviteit zijn dus niet per definitie tegenstrijdig aan elkaar.Wederom volgens de Wikipedia.
U zult het al wel voelen aankomen: het gaat hier in het boven aangehaalde kader der kunstfilosofie uiteraard om de laatste betekenis.
Daar kunnen wij uit dezelfde bron nog aan toevoegen:
Subject (van het latijnse subicere, subiectum, als vertaling van het griekse hupokeimenon of hypokeimenon) betekent letterlijk het ondergeworpene, het onderliggende. Door Aristoteles kwam het begrip in gebruik in de zin van substantie, dat is de wezenskern van het ding, datgene wat blijft bestaan onder wisselende omstandigheden.
Ná de 17e eeuw kreeg het echter een totaal andere betekenis; het werd het psychologische of epistemologische ik: datgeen wat aan de bewustzijnstoestanden ten grondslag ligt. Het denkende ik, het subject, wordt dan onderscheiden van het niet-ik ofwel het object. Dit object is een voorwerp, ding, zaak, entiteit of wezen, en kan van materiële of onstoffelijke aard zijn.
In filosofische zin is een subject een "zijnde" dat subjectieve ervaringen of relaties met een andere entiteit (of "object") kan hebben. Een subject is de waarnemer, terwijl een object naar het waargenomene verwijst.
Nu zullen de kenners onder u wellicht weten, dus mogelijk vermeld ik het hier ten overvloede, dat de romantici (grofweg vanaf 1850 tot pak hem beet 1890) programmatisch het subjectivisme propageerde. Wat bedoelden zij daar dan weer mee? De romantici gingen er vanuit dat het individu onderdeel is van het al. Jawel. Dus wie last had van identiteitgerelateerde spanningen behoefde slechts een blik te werpen op diens omgeving, zich er even geestelijk mee te verbinden, een spirituele connectie zeg maar, en opgelost was het probleem. Men kon naar believen voort op het pad des levens als zijnde een geheel met de bakstenen muren die hem of haar omgeven, maar evenzogoed ook met het blauwe uitspansel dat tot ongekende verten reikt. Over identiteitsproblematiek straks meer.
In de zin dat de romantiek haar sporen in de hedendaagse kunst heeft na gelaten, kunnen wij ons dus afvragen, of wij kunst (wat is dat eigenlijk?) nog immer als subjectief ervaren. Ik richt mij voor het gemak alleen even op het kunstonderwijs. Ten eerste omdat ik mij daar zelf vrijwillig aan ten prooi stel en ten tweede omdat in de opleiding vaak de ware geest van de beroepsgroep merkbaar wordt. In het gezellenstadium worden wij onderworpen aan allerlei expliciete en impliciete moetens die - of wij dat nu willen of niet - onze beroepshouding zullen bepalen. Is kunst(-onderwijs) (nog) subjectief te noemen in kunstfilosofische zin?
Als wij het hebben over de wijdverbreide ervaring onder studenten, dat wat een docent tegen de een zegt, bij de ander in omgekeerde versie te berde kan worden gebracht, is er sprake van subjectiviteit in banale zin. Er is volgens sommigen van mijn collega's een schrijnend tekort aan een eenduidige koppeling tussen normen en cijferwaardering. Maar: in dit geval zou ik niet willen spreken van subjectiviteit in kunstfilosofische zin. Dit riekt, voor zover er al sprake van is, eerder naar willekeur. Sterker nog: een docent die een voorkeur heeft voor een bepaalde student en daarom diens prestaties hoger waardeert zonder dat daar objectieve gronden voor aan te wijzen zijn, is een alledaags verschijnsel waarin de wereld van de kunst zich niet onderscheidt van overige beroepsgroepen. Menselijke sym- en antipathieen zijn nu eenmaal ingebakken; normenstelsel kunnen in theorie eenduidig zijn, maar bij menselijke toepassing komt er die speciale twist bij kijken, dat tikje onregelmatige van zuiver handwerk.
Is er in de kunstwereld en in het dito onderwijs dan helemaal geen sprake van enige objectieveerbare systematiek waarmee zowel de intimi als de relatieve buitenstaanders het proces en haar producten benaderen? Eerlijk gezegd weet ik het niet. Maar ik zou dit natuurlijk allemaal niet opschrijven als ik niet een bepaald vermoeden had. En dat is, dat als er onderzoek naar gedaan zou worden, in mijn beleving waarschijnlijk tamelijk inerte waarden getraceerd kunnen worden die de kunst en haar makers bewegen. Een van die waarden zou bijvoorbeeld kunnen zijn: gij zult vernieuwen; een typisch post-modernistisch dogma. Een andere waarde zou kunnen zijn: weest expressief over wat u van binnen beroert, lukt dat niet weest dan geniaal. Kijk, hier klinken twee romantische paradigma's door. Maar dan wel levend in de huidige tijdgeest en diens uiterlijke verschijningsvormen. Conclusie ten aanzien van de eerste vraag die mij bezighield, is dan ook - zij het op basis van vermoedens - dat kunst best wel objectief te noemen is. Dan weet u dat weer. Gaan wij naar de tweede vraag.
Verkeert de hedendaagse kunst in een identiteitscrisis?
Als wij op deze impliciete stelling het romantisch programma los laten, dan zou dit een onmogelijkheid inhouden. Immers: kunst is subjectief in filosofische zin, dus zoek een object waarmee je samen wenst te vallen en je hebt weer houvast. Toch kan ik niet ontkennen dat velen het over een identiteitscrisis hebben als zij over kunst van vandaag de dag filosoferen. Op zich vind ik dat een gevaarlijke benaderingswijze: dit soort negativiteit gaat gemakkelijk een eigen leven leiden, en als je op school al te horen krijgt dat je je in een crisis bevindt dan wordt het er niet makkelijker op om eigenwijs je integriteit te bewaken of daar zelfs maar marginaal in te geloven.
Ik vraag mij trouwens ueberhaupt af of het wel zo terecht is om van een dergelijke crisis uit te gaan. Ik heb veel meer het idee dat onzekerheden net zo ingebakken zijn in de kunst en haar beoefenaars als bij andere economische partijen. Hoewel. Daar zou misschien toch een punt te maken zijn, door de depressieve pessimisten die graag denken dat het echt de verkeerde kant op gaat. Want kunst is dan wel een economische marktpartij, het beeld bestaat dat wij vooral van subsidies leven en verder eigenlijk tot weinig in staat zijn. Net zo'n soort vooroordeel als dat over ambtenaren bestaat (lui, maar duurbetaald). Maar van die ambtenaren snapt iedereen, inclusief de ambtenaren zelf, dat we als maatschappij toch niet onder hun bestaan en in stand houding uit kunnen, dus een echt legitimatieprobleem heeft de vierde macht niet. Ik bedoel: het is vanzelfsprekend dat het overheidsapparaat er is en dus wat kost. Bij de kunst is dit nu wel anders. Onder invloed van genoemd vooroordeel, onder invloed van populistische praktijken, huldigen velen (vaak bij de borrel) het stanpunt dat kunstenaars uitvreters zijn. Ze moeten dus wel heel erg goed zijn om bestaansrecht, lees een economisch marktaandeel, te kunnen verwerven. De identiteitscrisis die velen menen te diagnostiseren is in mijn ogen dan ook niet meer dan een legitimatie-eis die hoger is dan bij andere sectoren. Is dat erg? Nee, als we daar wijs mee omgaan, een goede pr of zoiets, dan hoeft er niet veel aan de hand te zijn. Er zullen wellicht lieden zijn die het aan communicatieve vaardigheden ontbeert en die daardoor tegenover een tante Truus moeilijk kunnen duidelijk maken, wat het belang is van hun werk. En er zijn inderdaad een hoop van dergelijke tantes, die misschien nog wel enige belangstelling voor de kunst aan de dag kunnen leggen, maar die zich niet echt willen verplaatsen in de belevingswereld van de makers. Dat kan tot opgekropte onrechtvaardigheidsgevoelens leiden. Het voordeel daarvan is dan weer, dat dit een mooie impuls kan zijn voor romantisch-dramatische expressie; weer een prachtig kunstwerk dus. De beroepsgroep van de medici heeft met een soortgelijk gegeven te doen: dokter, ik hep pain aan me hart, het komp van de chlorestorol, ik mot statines hebbe. Zelluf uitgevonden op internet. Maar denk maar niet dat die artsen daarvan wakker liggen; die worden er nog ietsjes arroganter van en doen ondanks dat hun best om zo goed mogelijk met de zieke te communiceren.
Leidt de verhoogde legitimatie-eis tot een identiteitscrisis? Ben je gek, het lijkt mij eerder een aanleiding om je extra bewust te zijn van je identiteit als je hem nadrukkelijker moet verdedigen. Is er dan iets bijzonders aan de hand met al die angstige kunstenmakers die zich toch behoorlijk ellendig voelen in het huidige politieke klimaat? Nee hoor. Het enige probleem dat zij hebben is dat zij niet goed begrepen worden. Dat klinkt bekend, nietwaar: het romantische beeld van de onbegrepen doch geweldige kunstenmakerd. Dat komt enerzijds door de taal die zij onderling en in interactie met de buitenwereld bezigen. En dat komt anderzijds doordat moderne kunstenaars, in navolging dus van de romantici die hen voorgingen, veelal ernstig in de krochten van hun ziel afdalen om tot een overtuigende schepping te komen. En ik zei het al: degenen die dat niet kunnen of er niet voor over hebben doen gewoon geniaal. Dat niet-begrepen-zijn maakt kunst al sinds tijden lang zo noodzakelijk. Kunst is in mijn opvatting dan ook bij uitstek die tak van sport waarbij het soms letterlijk uit je tenen moet komen. Dat kun je van een gemiddelde ambtenaar over het algemeen toch niet zeggen. Geloof me, ik ben er zelf jarenlang een geweest.
Conclusie ten aanzien van vraag twee is dan ook, dat er in het geheel geen sprake is van enige identiteitscrisis in de kunt what so ever. Dat we bovendien op moeten houden onszelf dat aan te praten. En dat we hooguit wat meer dan andere participanten in het maatschappelijk gekrakeel, wat meer aan innerlijke bezinning doen.
Wacht even. Bij nader inzien, ik kijk nu even om mij heen en ga na met welke kunstenaars ik mij volomen bezonnen kan identificeren, trek ik die laatste conclusie weer in. Lang niet alle kunstenaars, zowel de ons reeds ontvallenen als de nog actieven, leiden een zich immer verdiepend bestaan. Sommigen blijven daadwerkelijk hangen in de verdrietige constatering dat ze zich onheus bejegend voelen. De slotsom zou daarom moeten zijn dat kunstenaars in geen enkel opzicht afwijken van gewonen mensen. Ook niet qua onzekerheden.
maandag 5 september 2011
romantiek
Geacht publiek,
ik dacht, ik laat weer eens wat van me horen en zien. In dit geval is de aanleiding een opdracht voor kunstfilosofie. Een verhandeling in ca. duizend woorden over mijn kunstenaarschap in relatie tot de romantische erfenis en de hedendaagse afbraakpolitiek. Zie hier het resultaat in de vorm van een filmpje. Afluisteren met boxjes, dan hoor je het beter.
Tot genoegen,
dinsdag 19 april 2011
essay over de kunst van het zwatelen
ESSAY OVER DE KUNST VAN HET ZWATELEN
19 april 2011
Student: katja; BKDT 2
Een essay is een beschouwende prozatekst of een artikel voor krant of tijdschrift, waarin de schrijver op een wetenschappelijk verantwoorde wijze zijn persoonlijke visie geeft op hedendaagse verschijnselen, problemen of ontwikkelingen. In het Engels verwijst de term meer in het algemeen naar een opstel of betoog. De Nederlandse betekenis komt echter van het Franse 'essai', wat zoiets betekent als probeersel. Tegenwoordig wordt het woord ook in Nederland nogal eens in de Engelse betekenis gebruikt, maar het gaat hier dus in principe om twee verschillende categorieën.
Aldus de Wikipedia. In onderstaande tekst kies ik voor de benadering van het essay als zijnde een prozatekst, waarin ik op min of meer wetenschappelijke wijze probeer mijn visie weer te geven op het fenomeen “interpreteren van kunst”. De wetenschappelijke aanspraak ontleen ik aan de opbouw van mijn essay: u treft achtereenvolgens een inleiding, een kern en een conclusie. Deze onderdelen van mijn beschouwing zijn volgens een tamelijk geaccepteerd en door mij gevolgd schema in de logica aan elkaar verwant en verbonden. Aangezien ik zelf in de kunstwereld zit, eigen ik mij het recht toe om vrijelijk verslag te doen van mijn bevindingen, zowel naar vorm als inhoud. Op voorhand wens ik u hiermede veel sterkte toe.
Ter inleiding
De dichter, schoon zijn broek nog toen hij klom
Zwatelde zachtekens langs de takken
Van de boom ter aarde neer.
Hij voelde zich wijs, was echter dom,
Want bleef met afgetrapte hakken
Haken aan de kunst van weleer.
Jij had toch beter moeten weten, hoe thans de mening is
Je zult nu hals gaan heten, met een broek vol bange pis!
Aanleiding voor het schrijven van dit essay is een opdracht in het kader van het vak kunstgeschiedenis. Allereerst werd van mij de inspanning verwacht dat ik een meesterwerk koos en dat vervolgens namaakte. Binnen mijn mogelijkheden is dat een redelijk gelijkende copy geworden van Circe Invidiosa van J.W.Waterhouse uit 1892. Tijdens het lesjaar heb ik mijn onderzoekingen over dit werk, de context, de betekenis beschreven in een blog, waarnaar ik hier kortheidshalve verwijs. Daar wil ik het dus verder nu niet over hebben. Wat ik wel aan u kwijt wil, zelfs met u delen wil, is het schier onbedaarlijke genoegen dat ik ondervond bij het nalezen van diverse teksten over het schilderij in kwestie en in het verlengde daarvan enige noties over kunst in het algemeen. Ik kan u verzekeren: ook ik hield het net als de onfortuinlijke dichter van hierboven niet altijd droog. Ik neem u graag mee langs enkele paden in het woud van de wijze woorden over kunst. Op deze route ontdekken wij tal van stijlbloempjes die hun weerga in de literatuur, noch in de vorsingen der filosofen of psychologen niet kennen. Na aan dit hartverwarmende en geestverrijkende boeket gesnoven te hebben, wil ik u een aantal stellingen voorleggen, die naar mijn mening genadeloos uit de citaten voortvloeit. Tot slot zal ik u na de conclusie reddeloos achterlaten, naar ik hoop in diepe overpeinzing.
Een boeket stijlbloemen
Bij mijn onderzoek naar Waterhouse greep ik vooraleerst naar de catalogus van het Groninger museum, waar in 2009 een overzichtstentoonstelling werd gehouden. Daar tref ik reeds in de inleiding een prachtig staaltje van kunstproza aan:
“(de werken zijn) decoratieve panelen van kleur, minder conventioneel dan wandtapijten, minder vlak dan gewone muurschilderingen, en toch ook geen openingen in een muur die uitzicht geven op een echte dan wel denkbeeldige wereld, maar eerder panelen die van zichzelf verzadigd zijn van schoonheid van lijn, schoonheid van volume en schoonheid van kleur.”
Dit zijn de woorden van een kunstcriticus uit de tijd van Waterhouse. Maar wat zegt onze kenner hier nu eigenlijk? De doeken van Waterhouse zijn in de eerste plaats een heleboel dingen niet: geen wandtapijten, geen muurschilderingen, geen gaten in de muur. Lijjkt mij redelijk vanzelfsprekend: gewoon olie op doek. Maar wat ze volgens deze criticus dan wel zijn, blijft in het ongewisse: panelen die een drievoudigheid aan schoonheid vertegenwoordigen. Namelijk van lijn, volume en kleur. Mooie lijnen, mooie kleuren, daar kan ik mij nog wat bij voorstellen. Maar mooi volume, wat is dat? Vond hij de doeken aardig van formaat, of was hij gecharmeerd van de veelal bedekte vrouwelijke rondingen die Waterhouse schilderde?
Ook kunstkenners uit onze tijd leverden hun bijdrage aan de verheldering van Waterhouse’werk. Verderop in de catalogus rondt mw. E. Prettejohn haar betoog af met de volgende woorden:
“De wandkleden die De vrouwe van Shalott verbinden met Penelope, de lieren van Orpheus en de sirene (…), in al die elementen kun je een geheime betekenis lezen. Maar het is misschien belangrijker dat ze elkaar interpreteren, als alleen tot zichzelf te herleiden componenten van de fascinerende verbeeldingswereld van Waterhouse.”
Omdat ik in dit betoog sterk reductionistisch te werk moet gaan, geef ik u hierbij kort de context waarin deze uitspraak is gedaan. Prettejohn onderzoekt verschillende beeldende motieven in het werk van Waterhouse en vraagt zich af of daar een geheime opvatting van de schilder achter zou kunnen zitten. Nu weten we heel weinig over het leven van Waterhouse, dus er is hier sprake van een zeker giswerk. Ook hier vraag ik mij af, wat de schrijver nu eigenlijk bedoelt. Ze stelt dat je in de symbolen van Waterhouse een geheime betekenis kunt lezen. Maar dat kan natuurlijk altijd, als je niet letterlijk van de maker weet wat hij bedoeld heeft. Ik ga er gemakshalve maar vanuit dat Prettejohn hier niet de goedgunstigheid beoefent om mijn eigen vermogen tot het lezen van geheime betekenissen zeker te stellen. Gelukkig komt ze ook met een oplossing: nog afgezien van wat je allemaal in het werk van Waterhouse zou kunnen lezen, lijkt het haar het meest wijs om de doeken zichzelf te laten interpreteren. Ik ben gerustgesteld. Ik hoef niet langer na te denken over wat ik meen dat ik waarneem, neen, de door Waterhouse weergegeven afbeeldingen zijn alleen tot zichzelf te herleiden. Het is alleen jammer, dat Prettejohn haar bewering verzwakt door het woordje “misschien”. Maar verder doet ze hier een interessante poging om de metafisica van Plato te ontstijgen. Het is niet langer de ideeënwereld achter hetgeen wij waarnemen, die de ware aard der dingen uitmaakt, het zijn de dingen zelf die waar zijn, doordat ze elkaar betekenis verlenen. Dat is in mijn beleving de strekking van Prettejohns inzicht. Dat betekent dat de mens met zijn al dan niet bewuste wil, in casu de schilder Waterhouse dan wel diens publiek, volstrekt niet meer relevant is voor het onderkennen van betekenis aan afbeeldingen. Hoe kan dat nu weer?
Artefacten die de mens als schepper behoeven, maar die qua betekenisanalyse uitsluitend een dialoog met zichzelf zouden moeten aangaan. Wellicht bedoelt Prettejohn hier dat wij ons oor te luisteren moeten leggen bij de schilderijen van Waterhouse, een propagande voor een nieuwe wetenschap: paintingwhispering. Dat is in ieder geval een originele optie. Overigens was Plato door illustere opvolgers al tot de orde geroepen over zijn opvattingen, maar het is op zich prettig dat Prettejohn daar haar eigen bijdrage aan levert.
Ik stap over van de catalogus over Waterhouse, naar een der handboeken van de kunstgeschiedenis: Honour en Fleming, om te achterhalen wat zij voor een diepzinnige gedachten hebben over de prerafaelieten waartoe Waterhouse behoorde. Daar treffen wij in hoofdstuk vijftien het volgende aan.
“Het is een (…) mooi naturalistisch gezicht op het kustlandschap van Sussex, bewonderenswaardig door zijn aandacht voor details van natuurlijke vormen die door het heldere, koude zonlicht aan zee worden beschenen. “
Het gaat hier over het schilderij Onze Engelse kusten van Hunt, ook een prerafaeliet. Maar wat moet je als student nu met dergelijke kwalificaties? Is naturalistisch per definitie mooi, of geldt dat alleen in dit specifieke geval? En wat als ik naturalistisch helemaal niet mooi vind, of de individuele weergave daarvan staat mij niet aan? Waarom is aandacht voor details bewonderenswaardig, terwijl dat op andere momenten wordt afgedaan als overdreven en zelfs tegennatuurlijk ( ik noem een stroming als De Stijl, die het juiste meende te kunnen ontdekken in consequent doorgevoerde abstractie)? Wat ik ook boeiend vind, is dat zich hier een bijzonder natuurverschijnsel lijkt voor te doen: koud zonlicht. Nog nooit meegemaakt. Zou hier bedoeld kunnen zijn dat het zonlicht in relatief koele kleuren, zoals citroengeel en ijsblauw is weergegeven? Maar voor wie het schilderij kent rijzen dan opnieuw vraagtekens, want ik kom evenzogoed veel warme okers en gebrande terra’s tegen. Zo koud is het daar nu ook weer niet. Maar goed: laat ik inschikkelijk zijn en braaf aannemen dat wat Honour en Fleming mooi noemen, ook daadwerkelijk mooi is. Ik moet nog minstens twee jaar op de Academie zien te blijven.
Gaan wij voort op ons pad door de bloementuin van de kunstbeschrijvingen en belanden bij Ad de Visser, de Tweede helft, beeldende kunst na 1945. Daar kom ik op, omdat ik van het lezen over kunst van voor het postmodernisme in de war dreigde te raken en ik mijn hoop vestigde op beschrijvingen van hedendaagse kunst. Bij de Visser leer ik dat het post-modernisme zijn aanvang neemt na 1985. Dat is dus ruimschoots in het tijdperk van de vliegende vooruitgang, het tijdperk waarin god-weet-welke bronnen te ontsluiten zijn om kennis te vergaren, ook over de kunst. Kunstdenkers van deze tijd dicht ik dan ook een zekere bezonnenheid toe, een zekere eruditie, de overwinning van het clusterdenken ten gunste van een eclectische beschouwing van het vakgebied. Sorry, wat ik bedoel is dat ik hoop en verwacht dat de kunstwereld zich tot een min of meer volwassen stadium heeft ontwikkeld, waarin het gebruik maken van inzichten uit andere wetenschappen, de filosofie, de (neuro-)psychologie, een geaccepteerd en als noodzakelijk onderkend gegeven is. Nog een keer: ik bedoel dat we al sinds eeuwen weten dat er niet echt sprake is van enig wetenschappelijk verifieerbaar discours als het gaat om kunstbeschouwing, laten we dan door de tijden heen in ieder geval wat geleerd hebben van hoe anderen dat doen. Duidelijk?
Het post-modernisme dus. Jippie, nu gaan we het beleven!
“Een mooi voorbeeld van een kunstenaar die het alledaagse ding (een elastiekje, papieren vleesschaaltje of een vliegenmepper) weer poezie probeert te velenen is de Zwitser Ulrich Meister.”
Deze stijltulp treffen we aan in hoofdstuk IV. Er volgen enkele citaten van dhr. Meister. Wat ik hier nu niet snap, is waarom hier sprake zou moeten zijn van een “mooi” voorbeeld. Zijn de teksten van Meister in combinatie met zijn alledaagse voorwerpen dan inderdaad mooi? Ben ik achterlijk als ik de schoonheid van een ijslolliestokje in de goot over het hoofd zie? Of is de Visser blij dat hij eindelijk een voorbeeld heeft gevonden van een installateur annex poëet? Dat brengt mij tot de kernvraag van deze verhandeling. Wie kan mij uitleggen wat de dieper liggende gedachten zijn achter een vermeend huwelijk van woorden en beelden?
Een platonsiche verhouding?
Vroeger was het zo, dat je als man op jacht, gerust een bosje bloemen mee kon nemen voor je lief, zonder dat je rolbevestigend gedrag werd verweten. Tegenwoordig moet je heel wat omzichtiger te werk gaan. De juiste woorden op het juiste moment. En op de juiste plaats natuurlijk. Je empathisch inleven in de wereld van die ander, behoedzaam aansluiting zoeken, gevoeligheden in een vroeg stadium benoemen, maar niet openscheuren en al helemaal niet bagatelliseren. Zo’n aanpak ongeveer leidt tot de grootste kans op een succesvolle interactie – welk doel daar verder ook achter zit. Anderzijds is het weer zo, dat bij sommigen de harde aanpak weer beter voldoet. Dat ziet er dan als volgt uit:
Hij: Ik wil neuken.
Zij: In jouw kont of de mijne? (lees: okee)
Wij leren uit dit korte resume van de taal der liefde, dat het menselijk vermogen tot bezinning en ontwikkeling heeft geleid tot steeds succesvollere ontmoetingen. Dat vervolgens 75% van de duurzame relaties weer strandt heeft zijn oorzaak in het tot op heden nog ontbrekende inzicht in de taal van het beheer van relaties. Daarover wellicht meer in een ander opstel. Hoe zit dat dan met taal en kunst? Is hier evenzeer sprake van een liefdeshuwelijk tussen het gesproken of geschreven woord en verbeeldende kracht van kunst? Ik denk het niet. Want zonder mijzelf als maatgevend te beschouwen, vraag ik mij af wat zou ik er zelf van zou breien, hoe zou ik in bovenstaande gevallen me hebben uitgedrukt?
In het eerste commentaar op het werk van Waterhouse zou ik het volgende opgeschreven hebben, indachtig de bedoelingen van de schrijver voorzover ik die begrijp.
Waterhouse maakt mooie, kleurrijke panelen, waarin ik de lijnen en vormen waardeer.
Dus verder geen geklets over wat ik niet vind dat Waterhouse doet, en ook geen vage uitspraken over wat ik mooi vind, maar zo duidelijk als ik het kan: ik vind het gewoon mooi.
Dan het tweede citaat van Prettejohn. In haar plaats zou ik opgemerkt hebben:
Misschien zit er een geheime betekenis achter de symbolen die Waterhouse gebruikt. Dat weet ik niet zeker, maar ze doen mij denken aan occultisme. Het is niet bekend of Waterhouse hiermee vertrouwd was.
En het derde citaat zou ik wellicht door het volgende vervangen:
Hunt heeft hier een landschap geschilderd naar zijn eigen waarneming. Hij heeft daarbij deels koele kleuren en deels warme kleuren gebruikt. In het schilderij valt mij zijn oog voor detail op.
Tot slot een alternatief voor het laatste citaat van Ad de Visser:
De kunstenaar Ulrich Meister voorziet alledaagse dingen zoals een elastiekje of een stokje van een ijslollie van teksten die poetisch aandoen.
Maar ik voel ook wel aankomen, dat uw commentaar op mijn notaties niet erg bemoedigend voor mij zal zijn. U heeft gelijk: je kunt je afvragen of met mijn aanpassingen de tekst beter wordt, de bedoeling van de kunstenaar duidelijker en het begrip bij de kijker /lezer groter. Nee, dat is dus niet het geval. Om de simpele reden dat wij, ons van de kunst, in alle toonaarden weigeren om ons te richten op een acceptabele canon. Bij het woord alleen al barsten velen in tranen uit, en dat is dan bepaald niet omdat zij Vader Jacob voor ogen hebben. Bij gebrek aan een moderne canon, bestaat er geen enkele consensus over de fenomenologie laat staan de te hanteren voertaal. U voelt zich toch ook niet in allerlei vormen geperst door de vooruitgang die de psychologie nu boekt? U kunt toch uzelf zijn binnen de denkkaders van deze wetenschap? Sterker nog: u kunt zelfs nu, na alle ontwikkelingen van de laatste decennia, beter uzelf zijn dan toen de psychologie nog in de kinderschoenen stond.
Waarom kan de kunst dan niet van voortschrijdende inzichten profijt trekken en zichzelf toegankelijk maken voor een breed publiek, zowel in beeld als in taal?
Het schrikbeeld van moetens in de kunst heeft diepe, traumatische wonden nagelaten sinds het manierisme en andere tijdelijke impliciete richtlijnen. Maar welk een hoogmoed? Zullen generaties na ons ook niet van de hedendaagse kunst opmerken dat daar onmiskenbaar dogmatische opvattingen aan ten grondslag hebben gelegen, net zoals wij achteraf de barok en andere faux pas in de kunst genadeloos hebben ontmaskerd? Het is nu weliswaar vrijheid-blijheid dat de klok slaat, maar daar staat tegenover dat “authenticiteit” mogelijk een van de nu niet definieerbare kernbegrippen gaat worden die de kunst anno nu achteraf zal kenmerken. Ons verzet tegen een analyse van onderliggende, vaak onuitgesproken motieven, ons onvermogen om van aanverwante wetenschappen te leren hoe om te gaan met voortschrijdend inzicht en een veranderende tijdgeest (Freud, Sartre, ze worden niet meer als vernieuwers beschouwd, maar wel nog gewaardeerd om hun bijdrage aan de ontwikkeling der mensheid) lijkt een uitzonderingspositie na te streven die haar legitimaite mist. Nee, wij van de kunst menen dat wij als beoefenaars van een enige en unieke menselijke activiteit het heel goed kunnen stellen zonder ook maar de geringste aanwijzing van wetmatigheden. Dat dat vroeger anders was zien wij nu als een bewijs voor ons eigen gelijk: vroeger was saai door al die regels. Kortom: “wij weten hoe het moet en de rest zoekt het maar uit” is het heersende credo. Dat ik mij daardoor aan een door mij niet gewenste elite lieer is een prijs die ik kennelijk moet betalen als ik kunstenaar wil zijn.
Taal en beeldende kunst lijken elkaar niet goed te verdragen, laat staan elkaar te snappen. Natuurlijk zijn mijn voorbeelden uit hun warme contexten gerukt, natuurlijk ga ik niet zo zeer kort door de bocht alswel dat ik eruit vlieg, maar toch kan ik mij niet van het in de inleiding genoemde gevoel losmaken dat er zich een schaterend genoegen in mij manifesteert bij het lezen van dergelijke kunstbeschrijvingen. Waar de ene kunstgrootheid iets als mooi bestempelt, piest een ander en lustig overheen. Heldere kaders van wat mooi is of niet bestaan kennelijk niet. En pogingen tot richtlijnen voor erkenning van kunst, zeg maar de demarcatie tussen goed en slecht, worden grif onderuit gehaald als zijnde academisch-canonisch en dus: not done! Taal en kunst: het lijkt eerder een platonische relatie dan een vruchtbaar samenzijn. Zij vleien zich aanminnig tegen elkander, maar tot volwassen kroost komt het mijns inziens zelden. Tot welke conclusies noodzaken deze overwegingen mij?
Conclusies
Ten eerste constateer ik, dat het kinderlijk eenvoudig is, om grootheden in de wereld van kunst en woord te betrappen op lichtzinnig gezwatel. Je hoeft echt niet ver te zoeken om een stinkerd van een stokroos aan je boeket stijlbloempjes toe te voegen. Ten tweede concludeer ik, dat de verwachting zinloos is, dat het binnen afzienbare tijd beter wordt in de relatie tussen kunst en woord. Zelfs in het post-moderne tijdperk, of misschien juist wel speciaal in dat tijdperk, is er geen sprake van een betrouwbare, althans eenduidige samenhang tussen beeld en beschrijving.
Dat noopt mij tot een derde vaststelling: je kunt in de wereld van de schone kunsten maar beter gewoon je eigen ding doen, wat anderen erover menen te moeten opmerken is volstrekt onvoorspelbaar en vaak zelfs onbepaalbaar.
Waag ik mij dan nu aan een pleidooi voor integratie van de beeldende kunst met de zogenaamde kleinkunst. Ik zou het van harte toejuichen als de KABK als eerste opvoedkundige instituut op het gebied van kunst een jaarlijks terugkerende prijs ter beschikking stelt voor dat cabaretwonder dat in begrijpelijke woorden het ridicule van het hedendaagse kunstgesprek het meest treffend weet uit te drukken. Mijn strategie zal ik u hiermee verklappen: via de humor zijn we misschien nog wel het meest geneigd om iets over onszelf te leren.
Besluit ik met mijn medeleven te betonen aan bovengenoemde onfortuinlijke dichter. Ik voel met hem mee, hoe hij zachtkens langs de takken van het boze bos der kunstkritieken naar beneden suist, pardoes met zijn broek op de demarcatielijn van de hond van de buren.
19 april 2011
Student: katja; BKDT 2
Een essay is een beschouwende prozatekst of een artikel voor krant of tijdschrift, waarin de schrijver op een wetenschappelijk verantwoorde wijze zijn persoonlijke visie geeft op hedendaagse verschijnselen, problemen of ontwikkelingen. In het Engels verwijst de term meer in het algemeen naar een opstel of betoog. De Nederlandse betekenis komt echter van het Franse 'essai', wat zoiets betekent als probeersel. Tegenwoordig wordt het woord ook in Nederland nogal eens in de Engelse betekenis gebruikt, maar het gaat hier dus in principe om twee verschillende categorieën.
Aldus de Wikipedia. In onderstaande tekst kies ik voor de benadering van het essay als zijnde een prozatekst, waarin ik op min of meer wetenschappelijke wijze probeer mijn visie weer te geven op het fenomeen “interpreteren van kunst”. De wetenschappelijke aanspraak ontleen ik aan de opbouw van mijn essay: u treft achtereenvolgens een inleiding, een kern en een conclusie. Deze onderdelen van mijn beschouwing zijn volgens een tamelijk geaccepteerd en door mij gevolgd schema in de logica aan elkaar verwant en verbonden. Aangezien ik zelf in de kunstwereld zit, eigen ik mij het recht toe om vrijelijk verslag te doen van mijn bevindingen, zowel naar vorm als inhoud. Op voorhand wens ik u hiermede veel sterkte toe.
Ter inleiding
De dichter, schoon zijn broek nog toen hij klom
Zwatelde zachtekens langs de takken
Van de boom ter aarde neer.
Hij voelde zich wijs, was echter dom,
Want bleef met afgetrapte hakken
Haken aan de kunst van weleer.
Jij had toch beter moeten weten, hoe thans de mening is
Je zult nu hals gaan heten, met een broek vol bange pis!
Aanleiding voor het schrijven van dit essay is een opdracht in het kader van het vak kunstgeschiedenis. Allereerst werd van mij de inspanning verwacht dat ik een meesterwerk koos en dat vervolgens namaakte. Binnen mijn mogelijkheden is dat een redelijk gelijkende copy geworden van Circe Invidiosa van J.W.Waterhouse uit 1892. Tijdens het lesjaar heb ik mijn onderzoekingen over dit werk, de context, de betekenis beschreven in een blog, waarnaar ik hier kortheidshalve verwijs. Daar wil ik het dus verder nu niet over hebben. Wat ik wel aan u kwijt wil, zelfs met u delen wil, is het schier onbedaarlijke genoegen dat ik ondervond bij het nalezen van diverse teksten over het schilderij in kwestie en in het verlengde daarvan enige noties over kunst in het algemeen. Ik kan u verzekeren: ook ik hield het net als de onfortuinlijke dichter van hierboven niet altijd droog. Ik neem u graag mee langs enkele paden in het woud van de wijze woorden over kunst. Op deze route ontdekken wij tal van stijlbloempjes die hun weerga in de literatuur, noch in de vorsingen der filosofen of psychologen niet kennen. Na aan dit hartverwarmende en geestverrijkende boeket gesnoven te hebben, wil ik u een aantal stellingen voorleggen, die naar mijn mening genadeloos uit de citaten voortvloeit. Tot slot zal ik u na de conclusie reddeloos achterlaten, naar ik hoop in diepe overpeinzing.
Een boeket stijlbloemen
Bij mijn onderzoek naar Waterhouse greep ik vooraleerst naar de catalogus van het Groninger museum, waar in 2009 een overzichtstentoonstelling werd gehouden. Daar tref ik reeds in de inleiding een prachtig staaltje van kunstproza aan:
“(de werken zijn) decoratieve panelen van kleur, minder conventioneel dan wandtapijten, minder vlak dan gewone muurschilderingen, en toch ook geen openingen in een muur die uitzicht geven op een echte dan wel denkbeeldige wereld, maar eerder panelen die van zichzelf verzadigd zijn van schoonheid van lijn, schoonheid van volume en schoonheid van kleur.”
Dit zijn de woorden van een kunstcriticus uit de tijd van Waterhouse. Maar wat zegt onze kenner hier nu eigenlijk? De doeken van Waterhouse zijn in de eerste plaats een heleboel dingen niet: geen wandtapijten, geen muurschilderingen, geen gaten in de muur. Lijjkt mij redelijk vanzelfsprekend: gewoon olie op doek. Maar wat ze volgens deze criticus dan wel zijn, blijft in het ongewisse: panelen die een drievoudigheid aan schoonheid vertegenwoordigen. Namelijk van lijn, volume en kleur. Mooie lijnen, mooie kleuren, daar kan ik mij nog wat bij voorstellen. Maar mooi volume, wat is dat? Vond hij de doeken aardig van formaat, of was hij gecharmeerd van de veelal bedekte vrouwelijke rondingen die Waterhouse schilderde?
Ook kunstkenners uit onze tijd leverden hun bijdrage aan de verheldering van Waterhouse’werk. Verderop in de catalogus rondt mw. E. Prettejohn haar betoog af met de volgende woorden:
“De wandkleden die De vrouwe van Shalott verbinden met Penelope, de lieren van Orpheus en de sirene (…), in al die elementen kun je een geheime betekenis lezen. Maar het is misschien belangrijker dat ze elkaar interpreteren, als alleen tot zichzelf te herleiden componenten van de fascinerende verbeeldingswereld van Waterhouse.”
Omdat ik in dit betoog sterk reductionistisch te werk moet gaan, geef ik u hierbij kort de context waarin deze uitspraak is gedaan. Prettejohn onderzoekt verschillende beeldende motieven in het werk van Waterhouse en vraagt zich af of daar een geheime opvatting van de schilder achter zou kunnen zitten. Nu weten we heel weinig over het leven van Waterhouse, dus er is hier sprake van een zeker giswerk. Ook hier vraag ik mij af, wat de schrijver nu eigenlijk bedoelt. Ze stelt dat je in de symbolen van Waterhouse een geheime betekenis kunt lezen. Maar dat kan natuurlijk altijd, als je niet letterlijk van de maker weet wat hij bedoeld heeft. Ik ga er gemakshalve maar vanuit dat Prettejohn hier niet de goedgunstigheid beoefent om mijn eigen vermogen tot het lezen van geheime betekenissen zeker te stellen. Gelukkig komt ze ook met een oplossing: nog afgezien van wat je allemaal in het werk van Waterhouse zou kunnen lezen, lijkt het haar het meest wijs om de doeken zichzelf te laten interpreteren. Ik ben gerustgesteld. Ik hoef niet langer na te denken over wat ik meen dat ik waarneem, neen, de door Waterhouse weergegeven afbeeldingen zijn alleen tot zichzelf te herleiden. Het is alleen jammer, dat Prettejohn haar bewering verzwakt door het woordje “misschien”. Maar verder doet ze hier een interessante poging om de metafisica van Plato te ontstijgen. Het is niet langer de ideeënwereld achter hetgeen wij waarnemen, die de ware aard der dingen uitmaakt, het zijn de dingen zelf die waar zijn, doordat ze elkaar betekenis verlenen. Dat is in mijn beleving de strekking van Prettejohns inzicht. Dat betekent dat de mens met zijn al dan niet bewuste wil, in casu de schilder Waterhouse dan wel diens publiek, volstrekt niet meer relevant is voor het onderkennen van betekenis aan afbeeldingen. Hoe kan dat nu weer?
Artefacten die de mens als schepper behoeven, maar die qua betekenisanalyse uitsluitend een dialoog met zichzelf zouden moeten aangaan. Wellicht bedoelt Prettejohn hier dat wij ons oor te luisteren moeten leggen bij de schilderijen van Waterhouse, een propagande voor een nieuwe wetenschap: paintingwhispering. Dat is in ieder geval een originele optie. Overigens was Plato door illustere opvolgers al tot de orde geroepen over zijn opvattingen, maar het is op zich prettig dat Prettejohn daar haar eigen bijdrage aan levert.
Ik stap over van de catalogus over Waterhouse, naar een der handboeken van de kunstgeschiedenis: Honour en Fleming, om te achterhalen wat zij voor een diepzinnige gedachten hebben over de prerafaelieten waartoe Waterhouse behoorde. Daar treffen wij in hoofdstuk vijftien het volgende aan.
“Het is een (…) mooi naturalistisch gezicht op het kustlandschap van Sussex, bewonderenswaardig door zijn aandacht voor details van natuurlijke vormen die door het heldere, koude zonlicht aan zee worden beschenen. “
Het gaat hier over het schilderij Onze Engelse kusten van Hunt, ook een prerafaeliet. Maar wat moet je als student nu met dergelijke kwalificaties? Is naturalistisch per definitie mooi, of geldt dat alleen in dit specifieke geval? En wat als ik naturalistisch helemaal niet mooi vind, of de individuele weergave daarvan staat mij niet aan? Waarom is aandacht voor details bewonderenswaardig, terwijl dat op andere momenten wordt afgedaan als overdreven en zelfs tegennatuurlijk ( ik noem een stroming als De Stijl, die het juiste meende te kunnen ontdekken in consequent doorgevoerde abstractie)? Wat ik ook boeiend vind, is dat zich hier een bijzonder natuurverschijnsel lijkt voor te doen: koud zonlicht. Nog nooit meegemaakt. Zou hier bedoeld kunnen zijn dat het zonlicht in relatief koele kleuren, zoals citroengeel en ijsblauw is weergegeven? Maar voor wie het schilderij kent rijzen dan opnieuw vraagtekens, want ik kom evenzogoed veel warme okers en gebrande terra’s tegen. Zo koud is het daar nu ook weer niet. Maar goed: laat ik inschikkelijk zijn en braaf aannemen dat wat Honour en Fleming mooi noemen, ook daadwerkelijk mooi is. Ik moet nog minstens twee jaar op de Academie zien te blijven.
Gaan wij voort op ons pad door de bloementuin van de kunstbeschrijvingen en belanden bij Ad de Visser, de Tweede helft, beeldende kunst na 1945. Daar kom ik op, omdat ik van het lezen over kunst van voor het postmodernisme in de war dreigde te raken en ik mijn hoop vestigde op beschrijvingen van hedendaagse kunst. Bij de Visser leer ik dat het post-modernisme zijn aanvang neemt na 1985. Dat is dus ruimschoots in het tijdperk van de vliegende vooruitgang, het tijdperk waarin god-weet-welke bronnen te ontsluiten zijn om kennis te vergaren, ook over de kunst. Kunstdenkers van deze tijd dicht ik dan ook een zekere bezonnenheid toe, een zekere eruditie, de overwinning van het clusterdenken ten gunste van een eclectische beschouwing van het vakgebied. Sorry, wat ik bedoel is dat ik hoop en verwacht dat de kunstwereld zich tot een min of meer volwassen stadium heeft ontwikkeld, waarin het gebruik maken van inzichten uit andere wetenschappen, de filosofie, de (neuro-)psychologie, een geaccepteerd en als noodzakelijk onderkend gegeven is. Nog een keer: ik bedoel dat we al sinds eeuwen weten dat er niet echt sprake is van enig wetenschappelijk verifieerbaar discours als het gaat om kunstbeschouwing, laten we dan door de tijden heen in ieder geval wat geleerd hebben van hoe anderen dat doen. Duidelijk?
Het post-modernisme dus. Jippie, nu gaan we het beleven!
“Een mooi voorbeeld van een kunstenaar die het alledaagse ding (een elastiekje, papieren vleesschaaltje of een vliegenmepper) weer poezie probeert te velenen is de Zwitser Ulrich Meister.”
Deze stijltulp treffen we aan in hoofdstuk IV. Er volgen enkele citaten van dhr. Meister. Wat ik hier nu niet snap, is waarom hier sprake zou moeten zijn van een “mooi” voorbeeld. Zijn de teksten van Meister in combinatie met zijn alledaagse voorwerpen dan inderdaad mooi? Ben ik achterlijk als ik de schoonheid van een ijslolliestokje in de goot over het hoofd zie? Of is de Visser blij dat hij eindelijk een voorbeeld heeft gevonden van een installateur annex poëet? Dat brengt mij tot de kernvraag van deze verhandeling. Wie kan mij uitleggen wat de dieper liggende gedachten zijn achter een vermeend huwelijk van woorden en beelden?
Een platonsiche verhouding?
Vroeger was het zo, dat je als man op jacht, gerust een bosje bloemen mee kon nemen voor je lief, zonder dat je rolbevestigend gedrag werd verweten. Tegenwoordig moet je heel wat omzichtiger te werk gaan. De juiste woorden op het juiste moment. En op de juiste plaats natuurlijk. Je empathisch inleven in de wereld van die ander, behoedzaam aansluiting zoeken, gevoeligheden in een vroeg stadium benoemen, maar niet openscheuren en al helemaal niet bagatelliseren. Zo’n aanpak ongeveer leidt tot de grootste kans op een succesvolle interactie – welk doel daar verder ook achter zit. Anderzijds is het weer zo, dat bij sommigen de harde aanpak weer beter voldoet. Dat ziet er dan als volgt uit:
Hij: Ik wil neuken.
Zij: In jouw kont of de mijne? (lees: okee)
Wij leren uit dit korte resume van de taal der liefde, dat het menselijk vermogen tot bezinning en ontwikkeling heeft geleid tot steeds succesvollere ontmoetingen. Dat vervolgens 75% van de duurzame relaties weer strandt heeft zijn oorzaak in het tot op heden nog ontbrekende inzicht in de taal van het beheer van relaties. Daarover wellicht meer in een ander opstel. Hoe zit dat dan met taal en kunst? Is hier evenzeer sprake van een liefdeshuwelijk tussen het gesproken of geschreven woord en verbeeldende kracht van kunst? Ik denk het niet. Want zonder mijzelf als maatgevend te beschouwen, vraag ik mij af wat zou ik er zelf van zou breien, hoe zou ik in bovenstaande gevallen me hebben uitgedrukt?
In het eerste commentaar op het werk van Waterhouse zou ik het volgende opgeschreven hebben, indachtig de bedoelingen van de schrijver voorzover ik die begrijp.
Waterhouse maakt mooie, kleurrijke panelen, waarin ik de lijnen en vormen waardeer.
Dus verder geen geklets over wat ik niet vind dat Waterhouse doet, en ook geen vage uitspraken over wat ik mooi vind, maar zo duidelijk als ik het kan: ik vind het gewoon mooi.
Dan het tweede citaat van Prettejohn. In haar plaats zou ik opgemerkt hebben:
Misschien zit er een geheime betekenis achter de symbolen die Waterhouse gebruikt. Dat weet ik niet zeker, maar ze doen mij denken aan occultisme. Het is niet bekend of Waterhouse hiermee vertrouwd was.
En het derde citaat zou ik wellicht door het volgende vervangen:
Hunt heeft hier een landschap geschilderd naar zijn eigen waarneming. Hij heeft daarbij deels koele kleuren en deels warme kleuren gebruikt. In het schilderij valt mij zijn oog voor detail op.
Tot slot een alternatief voor het laatste citaat van Ad de Visser:
De kunstenaar Ulrich Meister voorziet alledaagse dingen zoals een elastiekje of een stokje van een ijslollie van teksten die poetisch aandoen.
Maar ik voel ook wel aankomen, dat uw commentaar op mijn notaties niet erg bemoedigend voor mij zal zijn. U heeft gelijk: je kunt je afvragen of met mijn aanpassingen de tekst beter wordt, de bedoeling van de kunstenaar duidelijker en het begrip bij de kijker /lezer groter. Nee, dat is dus niet het geval. Om de simpele reden dat wij, ons van de kunst, in alle toonaarden weigeren om ons te richten op een acceptabele canon. Bij het woord alleen al barsten velen in tranen uit, en dat is dan bepaald niet omdat zij Vader Jacob voor ogen hebben. Bij gebrek aan een moderne canon, bestaat er geen enkele consensus over de fenomenologie laat staan de te hanteren voertaal. U voelt zich toch ook niet in allerlei vormen geperst door de vooruitgang die de psychologie nu boekt? U kunt toch uzelf zijn binnen de denkkaders van deze wetenschap? Sterker nog: u kunt zelfs nu, na alle ontwikkelingen van de laatste decennia, beter uzelf zijn dan toen de psychologie nog in de kinderschoenen stond.
Waarom kan de kunst dan niet van voortschrijdende inzichten profijt trekken en zichzelf toegankelijk maken voor een breed publiek, zowel in beeld als in taal?
Het schrikbeeld van moetens in de kunst heeft diepe, traumatische wonden nagelaten sinds het manierisme en andere tijdelijke impliciete richtlijnen. Maar welk een hoogmoed? Zullen generaties na ons ook niet van de hedendaagse kunst opmerken dat daar onmiskenbaar dogmatische opvattingen aan ten grondslag hebben gelegen, net zoals wij achteraf de barok en andere faux pas in de kunst genadeloos hebben ontmaskerd? Het is nu weliswaar vrijheid-blijheid dat de klok slaat, maar daar staat tegenover dat “authenticiteit” mogelijk een van de nu niet definieerbare kernbegrippen gaat worden die de kunst anno nu achteraf zal kenmerken. Ons verzet tegen een analyse van onderliggende, vaak onuitgesproken motieven, ons onvermogen om van aanverwante wetenschappen te leren hoe om te gaan met voortschrijdend inzicht en een veranderende tijdgeest (Freud, Sartre, ze worden niet meer als vernieuwers beschouwd, maar wel nog gewaardeerd om hun bijdrage aan de ontwikkeling der mensheid) lijkt een uitzonderingspositie na te streven die haar legitimaite mist. Nee, wij van de kunst menen dat wij als beoefenaars van een enige en unieke menselijke activiteit het heel goed kunnen stellen zonder ook maar de geringste aanwijzing van wetmatigheden. Dat dat vroeger anders was zien wij nu als een bewijs voor ons eigen gelijk: vroeger was saai door al die regels. Kortom: “wij weten hoe het moet en de rest zoekt het maar uit” is het heersende credo. Dat ik mij daardoor aan een door mij niet gewenste elite lieer is een prijs die ik kennelijk moet betalen als ik kunstenaar wil zijn.
Taal en beeldende kunst lijken elkaar niet goed te verdragen, laat staan elkaar te snappen. Natuurlijk zijn mijn voorbeelden uit hun warme contexten gerukt, natuurlijk ga ik niet zo zeer kort door de bocht alswel dat ik eruit vlieg, maar toch kan ik mij niet van het in de inleiding genoemde gevoel losmaken dat er zich een schaterend genoegen in mij manifesteert bij het lezen van dergelijke kunstbeschrijvingen. Waar de ene kunstgrootheid iets als mooi bestempelt, piest een ander en lustig overheen. Heldere kaders van wat mooi is of niet bestaan kennelijk niet. En pogingen tot richtlijnen voor erkenning van kunst, zeg maar de demarcatie tussen goed en slecht, worden grif onderuit gehaald als zijnde academisch-canonisch en dus: not done! Taal en kunst: het lijkt eerder een platonische relatie dan een vruchtbaar samenzijn. Zij vleien zich aanminnig tegen elkander, maar tot volwassen kroost komt het mijns inziens zelden. Tot welke conclusies noodzaken deze overwegingen mij?
Conclusies
Ten eerste constateer ik, dat het kinderlijk eenvoudig is, om grootheden in de wereld van kunst en woord te betrappen op lichtzinnig gezwatel. Je hoeft echt niet ver te zoeken om een stinkerd van een stokroos aan je boeket stijlbloempjes toe te voegen. Ten tweede concludeer ik, dat de verwachting zinloos is, dat het binnen afzienbare tijd beter wordt in de relatie tussen kunst en woord. Zelfs in het post-moderne tijdperk, of misschien juist wel speciaal in dat tijdperk, is er geen sprake van een betrouwbare, althans eenduidige samenhang tussen beeld en beschrijving.
Dat noopt mij tot een derde vaststelling: je kunt in de wereld van de schone kunsten maar beter gewoon je eigen ding doen, wat anderen erover menen te moeten opmerken is volstrekt onvoorspelbaar en vaak zelfs onbepaalbaar.
Waag ik mij dan nu aan een pleidooi voor integratie van de beeldende kunst met de zogenaamde kleinkunst. Ik zou het van harte toejuichen als de KABK als eerste opvoedkundige instituut op het gebied van kunst een jaarlijks terugkerende prijs ter beschikking stelt voor dat cabaretwonder dat in begrijpelijke woorden het ridicule van het hedendaagse kunstgesprek het meest treffend weet uit te drukken. Mijn strategie zal ik u hiermee verklappen: via de humor zijn we misschien nog wel het meest geneigd om iets over onszelf te leren.
Besluit ik met mijn medeleven te betonen aan bovengenoemde onfortuinlijke dichter. Ik voel met hem mee, hoe hij zachtkens langs de takken van het boze bos der kunstkritieken naar beneden suist, pardoes met zijn broek op de demarcatielijn van de hond van de buren.
Abonneren op:
Posts (Atom)
