welcome

DIS DEABUS GRATIA







feel free to enjoy



feel free to react















zondag 21 maart 2010

studium generale; birgit meyer en goed en kwaad







Birgit Meyer vertelt over een wel heel specifiek aspect van de beeldende kunst: horrorfilms uit met name Ghana. Ze vertelt over de achtergronden van Ghanese films: moreel van karakter, gebaseerd op het dagelijks leven en met de intentie de inheemse goden te demoniseren ten gunste van de heersende leer van de Pinksterkerk.

Een aantal thema's kunnen worden onderscheiden: misbruik en sexualiteit, de strijd tussen goed en kwaad, vruchtbaarheid, rijkdom, de transformatie van mens naar dier en vice versa, het samengaan van angst en plezier.
Ze toont een aantal fragmenten, die voor onze verwende westerse blik een naief, aandoenlijk beeld oproepen. Special effects die ik met mijn Nikon-gadget zo zou kunnen nabootsen, de overdreven mimiek van acteurs - alsof het spelen een doel op zich is geworden, het trage tempo wat ons eraan zou kunnen herinneren dat niet alle vermaak zo vlug als mogelijk tot een uitgeslingerd hoogtepunt zou moeten leiden. Kleurrijke posters die de bevolking naar de zaaltjes en kerken moeten lokken om eens lekker te griezelen.

Ik heb een groot respect voor de manier waarop Birgit vertelt: zonder enig oordeel, met empathie, met de wijsheid van achtergrondkennis.

En daar zaten we dan, na afloop van de lezing. Bescheten aan de borrel, aan een gedekte tafel in de kantine, ons af te scheiden van de rest. En vooral: te zoeken naar predikaten die het getoonde voldoende konden kwalificeren om je er machtig over te voelen, maar die chique genoeg bleven om politiek correct te zijn.
Ik noteer: een achterlijke cultuur, kleuterschool werk, moeilijk om er wat over te zeggen (de lafbekken waren ook vertegenwoordigd).

Wat moet ik hier nu mee? Allereerst maar bekennen, dat ik zelf hard heb meegedaan aan het kapittelen van andersdoenden. Dat ik het zelfs aangezwengeld heb. Maar een mea culpa volstaat niet. Ik wil meer weten over de strijd tussen goed en kwaad, de tendensen in de menselijke geest die de wereldbevolking wenst te splijten in twee kampen, de kwetsbaarheid van degenen die zich tonen voor het aangezicht van de zelfverkozen upper-dogs en de relatie die dat alles kan hebben voor de erkenning van kunst.Volgen slechts enige zwart-wit schetsen om de gedachten te ordenen.

Goed en kwaad, het is waarschijnlijk uitgevonden door dezelfde God die achter het ontstaan van het bestaan zit. Filosofen, psychologen, politici en onderwijskundigen hebben zich over het onderscheid gebogen, maar tot een eensluidende opvatting, noch inhoudelijk, noch strategisch, is het nooit gekomen.

Nietsche is de belangrijkste woordvoerder van de afschaffing van de moraal, voorzover zij op de macht van enkelen berust. Hij vindt het goede vooral in de ontwikkeling van de door hem veronderstelde oorspronkelijke kracht van de mens. Zwakheid, met name zoals in zijn ogen gepropageerd door het Christendom, is verfoeilijk en leidt tot de omkering van een natuurlijke constellatie. Door het lijden van Jezus werd zwakte troef, konden minderbedeelden zich omgekeerd superieur voelen aan hen die een sterke fysieke en mentale ontwikkeling hadden mogen doormaken. Deze omkering wijst Nietsche ten enenmale af; een moraal die erop gericht is om macht te verschaffen, en dan ook nog tegen de door hem veronderstelde natuurlijke neiging van de mens om voroal sterk te zijn in, moest afgeworpen worden.

Volgens Kant zit het weer net anders in elkaar. Hij gaat uit van een intrinsieke waardigheid van de mens, die hij als ware het een wet maar te volgen heeft. Of dat nou leuk is of niet.

Hegel op zijn beurt, moet hier weer niets van hebben en stelt, dat het met de mensheid volledig uit de klauwen loopt als het aan het individu wordt overgelaten om het goede van het kwade te scheiden. Wat wij nodig hebben is een zedelijkheid die de belangen van de gemeenschap kan dienen.

En hoe gaat de Pinksterkerk, die de moraal in Ghana beheert, met deze kwestie om? De vraag is relevant, omdat juist in de films die dit land voortbrengt, een geest van het goede over het kwade bedoeld is te zegevieren. Volgens de aanhangers van de Pinksterkerk is het allemaal begonnen met de zondeval: niet een grove overtreding van allerlei veiligheidsbepalingen zoals te vinden in de tien geboden, maar het simpelweg niet luitsteren naar God leidde tot de sterfelijkheid van de mens. Het goede is dus te vinden door naar God te luisteren en het vooral niet zelf te gaan uitvinden. Hoe God tot ons komt is echter niet zo'n eenvoudige zaak - de uitstorting van de heilige geest valt ons nu nog maar zelden ten deel.

Een sypathieke joodse rabbijn (Harald Kushner) openbaart zijn worsteling met goed en kwaad in een boekje getiteld Als het kwaad goede mensen treft.
Hij zoekt een antwoord op alle kwaad door God niet verantwoordelijk te stellen voor dat kwaad, maar hem uitsluitend als antwoord op het kwaad aan te wijzen. Hij is in zijn beleving niet een verantwoordelijke, almachtige schepper, maar een medelijdend wezen dat ons helpt in onze ellende.

En ook van deze redenering hebben weer anderen gehakt gemaakt. Buddhisten streven verlichting na door kortgezegd af te zien van ieder streven, maar ook dat is een staat van zijn die we maar zelden onder gewone stervelingen tegenkomen. Kortom, we komen er met zijn allen, na eeuwen denken, toch niet goed uit.

Laat staan dat ik er nu hier in mijn eentje een richting aan zou kunnen geven. Ik hou het daarom voor het moment maar dicht bij huis: wat gaf mij het recht om mij te verheffen boven de cultuur van een ander continent, me nog wel verschuilend achter de zogenaamde verworvenheden van een vijandige westerse wereld.
Niets. Een vals gevoel van saamhorigheid wellicht. Achteraf kan ik zeggen, dat ik mij mijn misstap realiseerde en erop terug wens te komen.

Ik kreeg dezelfde week een koekje van eigen deeg. Het in mijn vorige blog aan u getoonde werk werd tot onder het maaiveld geschoffeld, door een kenner die meende meer verstand van zaken te hebben dan ik. Ik was goed fout bezig geweest - het idee, de opbouw, de definitie, het glacis, niets deugde.

Erbarmelijke conclusie is dan ook, dat we allemaal in hetzelfde vervallen. Dat er altijd wel aanleidingen en argumenten zijn om ons beter te voelen dan een ander. Dat we allemaal opgescheept zitten met een ego dat ons verblindt door de euforie van overheersing, hoe kortstondig dan ook.

En daarbij spreek ik de hoop uit, dat we allemaal een bewustzijn kunnen verwerven dat ons behoedt voor al te vijandige gedragingen tegenover degenen die net zo hard met goed en kwaad worstelen als wijzelf.

Tot wat voor een verbeelding deze ijdele gedachten hebben geleid, toon ik u bijgaand. Geinspireerd door mijn favoriete artiest, Mark Rothko, kwam ik tot een aantal abstracten, waarin ik kleur heb willen laten spreken. Van zwart tot wit. Of u het goed of slecht vindt, kunt u hopelijk bepalen zonder een schuilplaats te zoeken bij kunstige wijsgeren die u zijn voorgegaan in de strijd. Ik deel met u slechts het gevecht, dat kleur tot resultaat had.

Alle goeds,

uw kather









zondag 14 maart 2010

studium generale; Jan van de Pavert zonder Genus Loci


In de cyclus over emoties en kunst is ook een plek gereserveerd voor de Nederlandse ontwerper Jan van de Pavert. Zijn werk richt zich op de gebouwde omgeving. Daarbij is hij vooral geinteresseerd in de wisselwerking van de "fysieke organisatie van de ruimte" en menselijk gedrag.

Zo'n introductie roept bij mij gelijk al vragen op: wie heeft het nu in godsnaam over zoiets abstracts als de fysieke organisatie van de ruimte, als hij uit is op het beinvloeden van menselijk gedrag.

Een reeks voorbeelden van Sovjet-architectuur en de ontwikkelingen daarin passeert de revu. Als een gelauwerde conferencier leidt hij ons langs plaatjes en prenten, vertelt hij over de ideologische achtergronden van bouwen in de SU. Alles ten dienste van de wil van de Partij, ter verheerlijking van de macht. Interessante tegenstelling is, dat formeel de werkende, boerenklasse, op een voetstuk werd geschreven, maar dat dat nooit heeft geleid tot aandacht of ontwikkeling van een op deze klasse toegespitste bouwkunst. Vanuit de ideologie van uniformiteit, economische vooruitgang en macht aan de enkelen, werd gestandariseerd gebouwd. Vaak pre-fab: in fabrieken gestortte panelen die de zichtbare, uniforme elementen vormden voor monotone flatgebouwen. Geen enkele cosideratie met belevingsaspecten. Ja, achteraf misschien een beetje: tussen de blokken werden steppes aangelegd: platgetrapte parkjes met hier en daar een boom en een verdwaald bankje. Op de foto's zag je er niemand zitten.

Met zo'n verhaal word je als het ware vanzelf gedwongen in de richting van de genus loci. De geest die van een bebouwde omgeving uitgaat, of zou moeten gaan. Maar van de Pavert had het vooral druk met voorbeelden geven, die hij gebruikt voor eigen onderzoek naar wat er zoal in de glossy's voor architecten te bezichtigen valt.

Ik ga dus zelf maar even op zoek naar de geest. Waar moeten lijnentrekkers rekening mee houden als zij een gezonde omgeving voor ogen hebben? Waar gaat het goed en waar gaat het mis? Welke basisvoorzieningen, welke creatieve mentale hoekoplossingen, worden de de betonridders en de baksteenbaronnen van hedentendage aangereikt, zodat wij ons lekker kunnen voelen in de door hen aan de ruimte opgelegde fysieke organisatie? (Bij deze draag ik de laatse zinssnede voor voor de Nobelprijs voor de literatuur; ik zie verder af van een beroep op auteursrechten.)

En ik laat u graag nog zien hoe ik zelf de mens in een omgegving zou willen plaatsen - maar dan vanuit een andere inspiratie dan een zielsverheffende bijdrage aan de fysiek georganiseerde ruimte. Maar dat leg ik u straks wel uit.

Eerst even langs een technische universiteit, pakweg Delft. Daar krijgen de aspirant-bouwmeesters te maken met het volgende:

De bouwwereld is de afgelopen decennia behoorlijk veranderd. Lag de nadruk vroeger vooral op uitbreiding van de gebouwenvoorraad, nu is er veel meer aandacht voor instandhouding, aanpassing en vervanging van gebouwen.
De bouwpraktijk is daardoor complexer en specialistischer geworden. Dat vraagt om bouwkundig ingenieurs met managementkwaliteiten, die het bouwproces technisch, financieel en logistiek in goede banen kunnen leiden; van ontwerpfase tot beheer.
De Masteropleiding Architecture, Urbanism and Building Sciences (AUB) sluit goed aan op die vraag. In het onderwijs komen uiteenlopende maatschappelijke vraagstukken aan bod, zoals:
de inrichting en kwaliteit van de gebouwde omgeving
de groeiende vraag naar woningen
verstedelijkingsprocessen
het beheer van de gebouwenvoorraad
infrastructuur en bereikbaarheid van voorzieningen
duurzaam bouwen
de ontwikkeling van nieuwe bouwmaterialen en constructies.

Hm. Ik ben er nog niet gerust op. Ik woon namelijk in zo'n satelliet waar vanuit een groeiende vraag naar woningen in hoog tempo het oorspronkelijke bouwland is volgestampt met jaren '70 armoede. Binnen probeer ik het gezellig te maken- Ikea ligt om de hoek. Ook in Delft trouwens.
Wat doen duurbetaalde designers dan met de belofte dat er ook aan kwaliteit gedaan zal worden?
Een Haags architectenbureau - nee, niet representatief, maar wel amusant - drukt zich als volgt uit op haar webstek:

"wij onderwerpen (!) de genus loci aan een diepgaande, integrale toposofische analyse."
Uitroepteken is van mijn hand. (Bij deze nomineer ik de geciteerde uitlating voor de Harry Mulishprijs voor korte kletsverhalen.)
Naar eigen zeggen zou dit meer concreet neerkomen, op het onderscheiden van harde en zachte functies bij de totstandkoming van een ontwerp. Hard is daarbij bijvoorbeeld functionaliteit en economie en zacht, u voelt het al aankomen, is de afdeling psychologie en sociologie.
Nu moet ik bekennen dat ik geen van de meesterwerken van dit bureau ooit heb mogen aanschouwen, ik heb mij beperkt tot het A4 van de website. Zij zullen vast en zeker terecht hun sporen verdienen in de bebouwde omgeving.

Ik kan in mijn zoektocht geen geinstitutionaliseerde wetenschap vinden die fundamentele aandacht schenkt aan wat de lijnentrekkende ontwerpers blasfemisch uitdrukken als belevingsaspecten. Dat lijkt mij zeer zorgwekkend.
Ik kan me zo voorstellen, dat er een verband bestaat tussen een disfunctionele omgeving in sociaal-psychologische zin en het voorkomen (prevalentie) van depressies.
Helaas heb ik niet de tijd om daar eens goed in te duiken, maar al Google-end kom ik aan de weet dat de Oekraine op de tweede plaats van de wereldranglijst staat als het gaat om depressies. Okee, het is maar een stukje van de oude SU, en ik weet ook niet of het RIVM als achtergrond voor dit lijstje heeft gekeken naar omgevingszaken, maar het geeft toch te denken. Waar in de SU het geestelijk welzijn als onomstootbare kernkwaliteit aanwezig werd verondersteld, druppelen nu dus gegevens binnen, dat die Russen toch niet massaal zo blij zijn als de partij wel wilde.
Soortgelijke fenomen zien we ook in China. In Afrika lijken weinig depressievelingen rond te lopen, omdat die waarschijnlijk meer last hebben van aids.

Ik weet het, ik doe een aantal suggesties die een verband tussen architectuur en emoties zouden kunnen leggen, waarvan het nog maar de vraag is, of dat allemaal wel klopt. Wel heb ik een aantal smakelijke missers voor u, waarvan we allemaal wel weten, dat je daar niet gelukkig van kunt worden: neem een Hoog Catharijne in Utrecht, of de Bijlmer in Amsterdam.

De kunstenaar in mij is realistisch genoeg om te weten dat ik met het kleien van een model-huisje geen doorbraak kan forceren. Bovendien beperk ik mij nu nog liever tot kwast en papier. Hoe zie ik de mens in zijn omgeving, en kan ik wat overbrengen of aanboren van de gevoelens die daarbij een rol spelen. De mens is wat mij betreft vooral vervreemd - van zichzelf, van zijn omgeving, van het hier en nu. Dat heeft mij geinspireerd tot bijgevoegde prent. Interpretatie laat ik graag aan u zelf over. Zolang u maar niet komt aanzetten met begrippen en frases waarvoor nog geen prijzen beschikbaar zijn.

Tot genoegen,

uw kather

zaterdag 6 maart 2010

studium generale; adriaan van der staaij en het onderbuik gevoel




Mijn onderbuik gevoel zegt me, dat zwijgen beter is dan spreken, handelen te verkiezen boven nalaten.


Adriaan van der Staaij, een gedistingueerde heer op leeftijd, heeft zijn sporen verdiend in de wereld van de kunst en cultuur. Als oud-directeur van het CPB schotelt hij ons een smakelijk en goed verteerbaar expose voor over de kaders van de kunst en de dychotomie van wetenschap en gevoel als het gaat om het beschrijven van kunst. Maar deze schijnbare tweestrijd geldt evenzeer voor het maken van kunst.


Waar de kerk in vervlogen tijden de broodheer was van kunstenaars, zijn wij - mensen met creatieve aspiraties - nu aan het blanke doek overgeleverd alsof het ons aanstaart met een beschuldigend oog: je kunt niets en je weet niets. Onverwacht blijkt van Gogh (de schilder) daar een antwoord op te hebben gedicht, wat hem de status verschafte van eerbiedwaardig lid van de Nederlandse literaire canon: slechts met passie en door te doen kunnen wij ons vrijwaren van het blinde, blanco staren van zo'n doek en een verbanning naar de onnozelheid voorkomen.

De kerk bood een economisch, maatschappelijk maar ook emotioneel kader voor kunstenaars. Gevoelens wilde men zien, en daarbij nog de eis dat zij ontleend moesten zijn aan bijbelse verhalen.

Die houvast hebben we dus niet meer. Spinoza daagde ons uit om zelf na te denken en zelf te onderzoeken waar God gevonden kon worden. Hij bedacht Hem een plaats in onszelf toe, in armzalige lieden die naar Zijn voorbeeld geschapen zijn. Dit in tegenstelling tot de toen heersende opvatting dat God toch vooral boven en dus buiten de natuur, het banale gevonden moest worden.

Twee bronnen voor waarheidsvinding heeft ons deze vernieuwing opgeleverd: de wetenschappelijke benadering of de ratio en de wereld van de verbeeldingskracht: de imaginatio.
De ratio overheerst, ook in de kunst! Van der Staaij merkt terecht op dat van creatieve ambachtslieden een theorie wordt verwacht. Het discours over de kunst heeft zich ontwikkeld van uit de kunsthistorie en heeft dientengevolge in de vaart der verlichting wetenschappelijke status geroken en willen conserveren. Jammer voor alle onderbuikgevoelens die geventileerd kunnen worden via de verbeeldingskracht, daar waar de ratio tekort schiet. Zij worden nog steeds afgedaan als not done. In de beschrijving van kunst vinden we dit royaal terug: critici grijpen naar semi-wetenschappelijke stellingen, zij intellectualiseren er lustig op los en claimen de wijsheid aan hun zijde te weten. Tuurlijk: vernieuwing is okee, maar wij weten wanneer het goed is.

Verrassend voorbeeld van hoe het binnen een systeem ook anders kan is dat van de familie Reve. De opmerking van van der Staaij dat broer Gerard kennelijk een hoogst irritant mens was laat ik voor wat zij is. Het boeiende is, dat Gerard en Karel twee exponenten binnen hetzelfde familiesysteem vertegenwoordigen van hetgeen van der Staaij diametraal op de uitersten van een continuum plaats: gevoel en verstand. Karel, de geleerde slavist; Gerard, de volksschrijver die tot dan toe onbeschreven gevoelens weet te verwoorden. Twee talen worden gesproken, de wetenschappelijke en de poetische, en toch zijn zij elkaar in dit voorbeeld letterlijk zo verwant...

Wat moet ik hier nu mee in mijn weg naar welslagen in de wereld van de schone kunst?
Er borrelen onderzoeksvragen op. Mijn buik roert zich. Is er iets te vinden over taal en beeldverwerking?
Heeft van der Staaij gelijk als hij een demarcatielijn trekt tussen de twee genoemde talen, of functioneert ons brein niet zo tweeslachtig?
Hoe zou ik mijn werkstukken dan vorm moeten geven, om zo effectief mogelijk mijn publiek te bewegen (zie eerdere blogs: mijn doel is raak te schieten)?

Gelukkig hebben anderen al het een en ander uitgevlooid: zo is door onderzoek van Wernicke en Bronca (zie Kahn, Onze Hersenen, Balans 2006) bekend, dat taalverwerking en -verwerving in aanwijsbare gebieden in onze hersenen plaatsvindt, en wel in de linker hersenhelft.
Dat betekent kort door de bocht, dat visuele prikkels in het rechter gebied van ons gezichtsvermogen makkelijker in taal kunnen worden omgezet dan prikkels die ons via onze linker gezichtshelft bereiken. Waarom? Dit lijkt wat ingewikkeld, maar heeft te maken met het feit, dat onze hersenen indrukken gespiegeld verwerken: wat van links komt gaat naar rechts en vice versa.
Een dergelijk verband tussen verwerking van prikkels en taligheid en de positie in ons gezichtsveld is inderdaad aangetoond door onderzoekers van verschillende Amerikaanse universiteiten (Gilbert, Regier, Kay & Ivry: Whorf hypothesis is supported in the right visual field but not the left. In: Proceedings of the National Acadamy of Sciences. January 10, 2006). Van enig onderscheid tussen een wetenschappelijke taal of poezie is in deze onderzoeken geen sprake. Ik trek hieruit de conclusie dat het bij beeldbeschrijving en -productie dan ook niet zo zeer gaat om woordkeus, maar veeleer om het basisprincipe van omzetten van beeld in woord. Welke taal men daarbij kiest lijkt vooralsnog een kwestie van stijl, persoonlijke smaak. Het pleidooi van van der Staaij vindt in mijn beleving dus geen wetenschappelijke argumenten onder zich.
Maar er is meer moois ontdekt! Zo blijven werkwoorden relatief langer in ons brein actief bij de verwerking van visuele indrukken, dan zelfstandig naamwoorden (zie promotieonderzoek van Dieuwke de Goede aan de RUG in januari van dit jaar).

Prachtig! Nu hebben we houvast. Ik leg mij voortaan toe op het verbeelden van handelingen - werkwoorden dus - , plaats die vooral rechts op mijn doek, en ik mag erop rekenen dat mijn toeschouwers geboeid zullen zijn, en een tijdje zullen blijven.
De stelling van een van mijn gewaardeerde docenten, dat een figuratief werk makkelijker zou lezen dan een non-figuratieve weergave, kan ik nu ook leuk weerleggen. Die leesbaarheid heeft niets met vorm-herkenning te maken, maar met taal-associatieprocessen in de hersenen die evengoed vanuit het abstracte opgang gebracht kunnen worden. Alle woorden die wij al lezend geacht worden bij een kunstwerk te kunnen produceren, zijn secundair en bovendien afhankelijk van de mate waarin wij als kijker geinspireerd worden tot enige handeling. Ik hoop dat hiermee het misverstand dat abstracte kunst of fotografie vooral toch leesbaar moet blijven uit de wereld is geholpen. Bovendien valt mij nog in, dat ik mogelijk om bovenstaande bevindingen wat weerstand heb bij stillevens: zij doen geen beroep op mijn herkenninsvermogen van werkwoorden.

Okee. Ik heb nu een panklaar recept voor boeiende prenten. Ik kan op mijn lauweren gaan rusten, geloof ik.
Nou, nee. Toch niet, hoor. De eerlijkheid gebied mij om te melden, dat de associatieketen in de hersenen cultuurafhankelijk is. Waar verschillende volkeren verschillende woorden voor begrippen hebben, zullen zij die begrippen ook anders inkleuren. Een Duitser denkt bij der Schlussel (de sleutel) aan mannelijke adjectieven, zoals hard, koud, scherp en een Spanjaard bij la llave aan vooral vrouwelijke kwaliteiten, zacht, rond (De Sapir-Whorf hypothese, vernoemd naar de Amerikaanse taalkundigen Edward Sapir en Benjamin Lee Whorf, stelt dat onze waarneming wel degelijk wordt bepaald door de taal die we tot onze beschikking hebben).

Tot welke verwarring leidt fenomeen dan wel weer? Tot de desorienterende zekerheid dat ik met mijn scheppingen niet in een klap de hele wereldbevolking zal kunnen bewegen, maar dat ik mij binnen de mij bekende systemen eerst maar eens moet zien uit de drukken.

Ik maak u daarom graag deelgenoot van de meest recente erupties waartoe achterliggende structuren mij hebben verleid.
Als hulpmiddel bied ik u enige werkwoorden aan die bij u op zouden moeten komen. Foute antwoorden zijn volgens mij overigens niet mogelijk, maar daar hoor ik anderen weer heel andere stellingen over poneren.
Denkt u aan: snijden, gooien, schijnen, lopen, staren, staan, eten, verteren, weten, zwijgen enz...

Ik wens u een actief bestaan en graag tot een volgende keer!

Uw kather

donderdag 18 februari 2010

studium generale; hans flupsen, kandynski en andere intellectualia
















Intellectualisme: leer dat alle kennis rationeel is.





Tegenstroming: anti-intellectualisme -afkeer van alle intelligentia. Kan zich uiten in verzet tegen intellectuelen, intellectuele activiteiten of academia. Anti-intellectuelen menen de gewone man te vertegenwoordigen tegenover de intellectuele elilte. Afhankelijk van de stroming gebruikt men diverse retoriek om de intelligentia onderuit te halen. Theocraten zullen intellectualisme associeren met duivels en niet-goddelijk; communisten met anti-revolutionair. Ook het fascisme in Italie ging prat op haar anti-intellectualistische houding.
Zie verder Wikipedia en andere internet-hits.

Na beneveld door een glas wijn Hans Flupsen (muziek-goeroe, programmamaker bij de VPRO) te hebben bezichtigd, besluipt mij een vooraleerst ondefinieerbare irritatie. Later slaat dat om in regelrechte woede, als ik een aanvaring heb gehad met een stuurse klasgenoot en het niet echt lekker ging met glaceren.

Ik voorvoelde al een week dat het deze keer niets ging worden met mijn blog. Dat begon ik zelf verdacht te vinden. Ik wist nog helemaal niet wat Flupsen te melden had, of hij iets te melden had, en dus ook niet hoe ik daarop zou gaan reageren. Maar ik ben dus boos. Eerlijkheidshalve was dat dus gedeeltelijk een self-fullfillingprophecy en anderzijds zonder meer getriggerd door het elitaire onderonsje wat- wellicht niet door Flupsen zo bedoeld - tijdens de lezing ontstond.

Ik wil u graag meer duidelijkheid bieden.

Ik voorvoelde van alles en nog wat, maar wens verre te blijven van paranormale pretenties. Ik weet namelijk niet zo heel veel van muziek en kwam er achter dat ik me op voorhand eigenlijk al buiten gesloten voelde. Ik ergerde me rot aan de semi-gezellige setting waarin we met zijn allen rond de spreker gegroepeerd werden, bedoeld als uitnodiging voor een goed gesprek. Dat gesprek kwam er ook, maar kon slechts gevoerd worden met enkelen. Wie zijn godverdomme John Caige en consorte, vroep ik mij in stilte af. Ik had de indruk dat maar enkelen dat wisten. Ik vroeg me daarentegen hardop af wat we nu aan het doen waren. Onze eigen goede smaak bevestigen, onze identiteit en groepsgevoel definieren, ten koste van de grotere massa die slechts drie accoorden kan aanvoelen?
De muziek die we te horen kregen was divers, vaak prachtig, maar tekort om het grote genieten tot wasdom te kunnen laten komen. Verstorend om na 20 seconden weer los gerukt te worden. Ging het slechts om een indruk, ging het om het etaleren van kennis, werd er gekoketteerd met de eigen schrale achtergrond die glorieus werd overschaduwd door het deugdzame leven van een kenner? Het was mij onduidelijk en ik raakte allengs meer heen en weer geslingerd en meer geirriteerd. Ik voelde me een proleet bij de schone, gelakte elite. U weet, ik hou van overdrijven..
Enige aanknopingspunt is dat er een onderscheid is tussen gelogen en oprechte kunst.

De leugen schuilt hem vooral in vercommercialisering, de corrumperende werking van het gore geld.

Ik zoek het verder bij een eerdere ervaring in dezelfde week. Kandinsky in het Haags Gemeentemuseum.

Er zijn een aantal overeenkomsten tussen datgene wat ik ervoer tijdens de lezing van Flupsen en de tentoonstelling. Ten eerste de relatie met het elitaire. Ten tweede de rol van emoties. Op beiden zal ik hierna ingaan. Verwacht u van mij geen handreiking om de maatschappij te bevrijden van knellende doctrines, hetzij van het volk, hetzij van een stel snobisten. Ik wil slechts verwoorden wat mij hierover invalt als beoogd kunstenaar in een gecorrumpeerde maatschappij.

Eerst wat over Kandinsky en Der Blaue Reiter. Gejat uit Wikipedia:
Der Blaue Reiter (de blauwe ruiter) was een kleine groep gelijkgestemde kunstenaars in Duitsland, die van ongeveer 1911 tot 1914 bestond. De vernieuwingsbeweging ontstond in München. Deze beweging (voluit "Künstlergemeinschaft Der Blaue Reiter") werd in 1911 opgericht door Wassily Kandinsky, Franz Marc, August Macke en Alexej von Jawlensky. De stroming wordt tot het expressionisme gerekend. Er was niet echt sprake van een georganiseerde beweging. Het ging de deelnemers meer om het onderhouden van een vriendschapsband.
De nieuwe kunstideeën kwamen aan het licht bij de uitgave van een almanak "Der Blaue Reiter". De naam van de schildersgroep is afkomstig van de omslag van deze almanak, waarop het schilderij Der Blaue Reiter van Kandinsky uit 1903 te zien is.
Binnen der Blaue Reiter waren de kunstenaars van mening dat elk academisme in strijd was met de ware kunst. Men zag de emotie als voornaamste element van het creatieve vermogen en men trachtte deze tot expressie te brengen.

Door sommigen wordt de beweging van Der Blaue Reiter als intellectueel gezien (NRC, 090210). De kunstenaars wilden het persoonlijke overstijgen en zochten verbinding met het spirituele, waar het gaat om expressie van emoties. Dat riep bij mij gelijk de nodige vertwijfeling op: sommigen van de getoonde werken vond ik ronduit psychedelisch, en in de schijnbaar achteloos aangebrachte streken in een aantal portretten van Jawlenski kon ik weinig intellectueels, weinig doordachts, weinig doelgerichts aantreffen. Daarom niet minder overtuigend, dat is niet wat ik bedoel. Maar een koppeling aan het intellectuele ontging mij. U ziet: een soortgelijk gevoel overviel mij tijdens de lezing hierboven genoemd.

Dan de emoties als zodanig, die de inspiratie vormden voor de werken van Kandinsky en anderen. In de kleurenpracht zeer tot de verbeelding sprekend. Net als de kleurenpracht van de muziek van Schonberg, die aangehaald werd door Flupsen. Emotie uit het cerebrale, en niet uit de lendenen zoals bijvoorbeeld in de hedendaagse popmuziek vaak het geval is.
Waar komt voor mij nu die grens van het betamelijke, die mij drijft tot boosheid in zicht?
Dat is op het moment dat opvattingen tot dogma's verklaard worden, als kenners zich de koning te rijk wanen en de brug naar de massa niet weten te slaan.

Zijn zij daar dan exclusief voor verantwoordelijk? Nee, dat ook weer niet, want van een ieder mag je toch wel een zekere hang naar bewustwording, naar verrijking, naar het verkennen van de eigen benauwde grenzen verwachten. Ik bedoel natuurlijk: dat verwacht ik. En gelukkig kan ik in mijn eentje geen elite vormen.

Of Kandinsky daarin is geslaagd - ik weet het niet. Hij stelde dat iedere kunstuiting een tijdgeest weergeeft, een dan overheersend maatschappelijk onderbuik gevoel. Het feit dat hij nu bij de Blokker op posterformaat of op serviezen zou kunnen prijken is wellicht geen compliment. Hij heeft de massa bereikt, maar ik waag het te betwijfelen of hij haar ook in haar onderbewustzijn heeft weten te raken.

Maar dat een en ander een effect heeft zal ik niet ontkennen. Mijn boze indruk is, dat het hier minimaal om het effect van de bevestiging van het ons-kent-ons gevoel gaat.

Wil ik dat ook? Als aankomend kunstenbakker? Ik wil een, un, effect, dat had ik u al te kennen gegeven. Wil ik dat vooral bij mijn beoogde volgelingen? Nee, nee, alstublieft niet. Spaar mij voor het kluizenaarschap van een groep wereldverbeteraars die als waren zij outsiders, zie Marijn Akkermans voor het tegendeel!, denken een zinvolle bijdrage aan het bestaan van anderen te leveren. Zij dienen hoofdzakelijk zichzelf. Ja, roept u maar! Ik ben nou toch boos en een reprimande kan er ook nog wel bij.

Wat wil ik dan wel? Godsamme, gewoon lekker bezig zijn! Nu val je door de mand, loeder, we hebben je! jennen de spreekkoren in mijn hoofd. Of in het uwe, dat kan ik met mijn voorbehoud bij het bovennatuurlijke niet overzien.
En met dat lekker bezig zijn, zoek ik het zowel in het cerebrale als in het laag bij de grondse. Vormen zijn voor mij studie-objecten, misschien leg ik ze ooit af en concentreer mij op louter kleur, klank. Of iemand dan nog snapt wat ik bedoelde kan ik u net zo min als een Kandinsky garanderen. Ik ben wel altijd bereid tot een gesprek, dat wel.

Tot slot maak ik u nog graag deelgenoot van een van mijn recente emotionele erupties in beeld. Ik hou het klein, want per slot van rekening waren we ooit allemaal kind. En zelfs als we in dat deel van ons leven ons de koning te rijk waanden, we voelden ons toch met elkaar verbonden in het spel.
U treft een zelfportret in inkt, dan heeft u er eindelijk een kop bij. Ik ben daar boos, na afloop van de lezing, een rottige les en wat schermutselingen in mijn persoonlijke leven.
En u treft drie portretjes van kinderen aan, papier met glacis, mdf.
De kinderen hebben een innerlijke beleving. Boos, onderzoekend? U mag het zeggen. De drie verschillende kleuren van het glacis bieden u hopelijk meer houvast.

Ave, alea iacta est.

De volgende keer wellicht meer troost.

Uw kather





woensdag 10 februari 2010

studium generale; angst en kunst











Likkebaardend keek ik uit naar de lezingen over het thema Angst in relatie tot de kunst. Ik heb daar zelf namelijk ook wat mee. Niet omdat ik zo'n poepbroek ben, integendeel. Zoals ik eerder al aangaf zoek ik graag grenzen op, ga er het liefst nog even overheen, en voel me daarbij niet beperkt door enige op angst gebaseerde cognitie, ethiek of klinische overweging.
Akkermans vertelt dat hij ooit als outsider is gekwalificeerd. Een begrip dat hem op een hoop dreigt te gooien met de psychisch verstoorden en hem zonder meer buiten spel neigt te zetten. Vond hij wel confronterend toen het hem overkwam, maar gaf ook de ruimte om zich niets van conventies aan te trekken. Nina Yuen heeft een getraumatiseerde jeugd, dus dat is ook al geen opgewekte binnenkomer voor aanstormend kunstenaars. Ik voel me getriggerd: zijn alle gewonden onder ons dan al op voorhand gediskwalificeerd in de strijd om erkenning als beeldend kunstenaar? Dat roept om bezinning!

Ik ben nu benieuwd naar welke rol angst in de kunst speelt, hoe zij daarin effectief kan zijn.
Ik wil niet alleen weten wat hierover in zijn algemeenheid gezegd kan worden, maar ik wil ook wel kwijt welke rol angst speelt in twee van mijn eigen producties.
Zullen we het nog een keertje wagen? Vooruit, nog een onderzoekje naar drijfveren. Voor degenen die hopen dat ik zal komen met een feitenrelaas, diagnostiek of therapeutische analyse over hetgeen mijzelf aangaat: die kan ik alvast teleurstellen. Want dat doe ik lekker niet.
Wel wil ik ingaan op waartoe angst mij in casu gedreven heeft.
Ten eerste wil ik de vraag beantwoorden wat angst is - waar hebben we het eigenlijk over; welke angst kan een rol spelen in de kunst gericht op de toeschouwer. Vervolgens wil ik binnen de grenzen van dit bestek een poging doen om te onderzoeken hoe effectief kunst dan wel niet is in dit opzicht.
En tot slot wil ik wat laten zien van wat ik zelf gemaakt heb, waarbij angst een rol heeft gespeeld.
Komt 'ie.

Wat is angst, welke vormen worden wel onderscheiden? En welke zijn relevant voor de kunst-bussines?
Nu kan ik mij terecht beroepen op Emmelkamp, hoogleraar klinische psychologie aan de UvA.
Uiteraard grijpt hij in zijn boek Angst, fobieen en dwang, Bohn Stafleu van Loghum 1995, terug op de DSM IV, het diagnostisch handboek voor peuteraars. We vinden een indrukwekkend lijstje van angststoornissen: paniek, agorafobie, specifieke fobie, sociale fobie, obsessief-compulsieve stoornis, post-traumatische stressstoornis, acute stressstoornis, gegeneraliseerde angststoornis, middelen-geinduceerde angststoornis, angststoornis niet nader omschreven. Maar: dat zijn dus de ziekelijke verschijningsvormen, althans die vormen van angst die professionele aanpak behoeven.
De meer alledaagse vormen van angst zijn te relateren aan genoemde categorieen, maar dan in een niet verontrustende, hulpbehoevende vorm. Arousal en de neiging tot vluchtgedrag zijn kenmerkend, ook als het allemaal wel mee lijkt te vallen met die angst.
Mocht je nu als kunstenaar de onstuitbare drang hebben om je bezig te houden met 2 of 3D geprojecteerde angst, begeef je je dan op een heilzame route? Heeft het enige zin om de ambitie te hebben, zoals Akkermans vertelde en zoals ik die zelf ook meen te ervaren, om je publiek aan te spreken op haar verantwoordelijkheidsgevoel. Is het ijdele hoop om met een prent of andere uitbeelding de angst bij je publiek aan te boren, in de verwachting dat ze er wat mee kunnen, whatever that may be?
Volgens Emmelkamp helaas wel. De serieuze angstgevallen kunnen behandeld worden met cognitieve- en/of gedragstherapie, met exopsure in vivo, met imaginaire exposure, met flooding, met systematische desensitisatie, met relaxatie, sociale vaardigheidstraining en gelukkig zijn er ook altijd nog pillen. Het is echter niet eenduidig vastgesteld welke behandelingen of welke combi's daarvan het meest effectief zijn. Ook de follow-up resultaten geven een wisselend beeld. Is het dan hopeloos voor alle lijders aan Angsten? Nee: zeer kort door de bocht gesteld is heil vooral te verwachten van exposure-therapie als het gaat om fobische angsten. Voor de getraumatiseerden ligt dit ongelukkigerwijs heel wat complexer. Judith Herman zet dit prachtig uiteen in Trauma en Herstel, Wereldbibliotheek 1993. Voor genezing van deze ernstige gevallen is wat haar betreft een sociale relatie waarin verbondenheid wordt ervaren onmisbaar.
Maar nu de relevantie voor de kunst en het publiek van gewone stervelingen. Ik ga ervan uit dat angst een ieder bekend is. Dus de stelling dat iedere toeschouwer bekend is met het fenomeen lijkt mij gerechtvaardigd. Voor de overzichtelijkheid deel ik het publiek in in twee categorien: zij met fobie-achtige angsten en zij die een trauma hebben geleden, zonder dat zij hierbij de status van patient hebben verworven. De alledaagse fobieen en trauma's dus. De prevalentie van de ziekelijke varianten is over het algemeen zo rond de enkele tot een tiental procenten van de populatie. Dat treft dan extra, want zo kan de kunstenaar wellicht ook nog enig helend werk verrichten. Hoe dan? Vooraleerst als hij met zijn of haar werk een gevoel van verbondenheid weet op te roepen bij de toeschouwer. En voorts ook als hij of zij ook maar iets van exposure effecten in het werk weet te verankeren. Dan zou je al goed moeten zitten. Dat zou als volgt moeten werken: kijker ziet beangstigende voorstelling - kijker (her-)beleeft zijn angst, kijker snapt dat er eigenlijk niets aan het handje is of voelt zich verbonden met lotgenoten - kijker kan gelouterd weer voort.
U zegt het al: daar lijkt iets niet helemaal te kloppen. Ten eerste worden afweerreacties onderschat: wie geen zin heeft om te voelen verdringt de ervaring. En ten tweede is het nog maar de vraag tot wat voor een fraais die loutering wel niet zou moeten leiden. Het is een zeldzaamheid dat mensen door een Aha-erlebnis op het gebied van angst zich in eens bewust zijn van de eigen verantwoordelijkheid ten opzichte van dit gevoel. Laat staan dat zij ten opzichte van hun medemensen die verantwoordelijkheid plotsklaps zouden gaan ervaren en practiseren.
Dat neemt niet weg, dat in mijn opvatting ook kunst, juist kunst, een waardevolle bijdrage kan leveren aan de bewustwording van de mensheid. Waar individuele doorbraken niet uit te sluiten, maar wel sporadisch zullen zijn, is een bijdrage aan de maatschappelijke bewustwording in de geschiedenis toch heel nuttig gebleken. Denk maar aan de weergaloze weergave van mythische angsten door renaissance en barokschilders: zo weten wij wat ons bezig heeft gehouden en nog steeds kennelijk bezighoudt.

En dan nu mijn eigen bescheiden ambities om mensen te raken met wat ik maak. Ik laat u twee producties zien waarbij angst een rol heeft gespeeld.
De eerste is een prent van een bejaard stel, dat zich in een ruimte bevindt die weinig houvast lijkt te bieden. Het perspectief is vertekend. Er is wel uitzicht op een horizon, maar daar heerst een bedriegelijke kalmte van een rollende zee.
De vrouw is verbeten - ik laat in het midden of zij nu zwaait, of zij haar evenwicht op het hoofd van haar partner zoekt met haar linker arm, of dat zij een mep wenst uit te delen. De man is bang, ik hoop dat dat duidelijk is. Als een kind onder de arm van zijn zwaarwichtige moeder, bliekt hij met angstogen de wereld aan. Enige troost voor hem is dat zijn mond zich op haar tepelhoogte bevindt. Ik koester overigens weinig pretenties ten aanzien van dit schilderij, omdat het bij de beoordelingen nog als te onduidelijk van vorm werd gedefinieerd. Het gaat mij hier nu slechts over mijn achterliggende bedoelingen van verbeelding.
Een recenter werk is dat van een sprookje van de gans en de reus, dat nog in wording is. Hier doe ik een appel op gevoelens van weerzin, die dicht bij angst liggen, door het vrouwelijke element als prinses-achtig wezen in een gans te vangen, en het mannelijk element te laten samenvallen met de vorm van een fallus. Mocht het u bij eerste aanschouwing ontgaan zijn: de man zit met zijn vinger in het hol van het toverbeest. Natuurlijk zullen sommigen van u afknappen op de way over the top symboliek die ik kies. Ik verontschuldig mij dan met een beroep op de verwarring van vorm en inoud die ik hier aan de dag heb willen leggen. Bovendien hoop ik dat u zich gesust voelt bij de sprookjesachtige uitstraling van het geheel. Mijn enige doel was de menselijke sexualiteit in een vervreemdend verband te plaatsen. Dat u het maar weet.

Tot zo ver. Ik wilde niemand al te zeer in angstige verwarring brengen. Het was mij weer een genoegen.

Uw kather

dinsdag 9 februari 2010

sorry, jongens, ik moet even wat recht zetten. Dat is overigens niet de reden dat ik op dit godvergeten uur achter de pc zit.
Waar ik in mijn vorige blog Paul Emmelkamp noemde, bedoelde ik Paul Ekman. Beiden hoogleraar, maar er zit wel een oceaan tussen.

donderdag 4 februari 2010

studium generale; gespeelde en echte emoties




Waar ik bij Oscar nog lekker onderuit gezakt kan luisteren naar sprookje, moet ik bij Kester Freriks toch wat meer hersencellen activeren. Dat gaat automatisch: ik vraag mij af of ik een verschil in beleving ervaar bij echte of gespeelde emoties en of dit transponeerbaar is naar een algemene these over het menselijk functioneren in relatie tot getoonde emoties of gevoelens.


Puttend uit eigen ervaring stuit ik op een reeks van bewust herinnerde momenten, die bij mij geleid hebben tot een onderliggende a priori-houding, waarbij ik ressentiment ervaarde als ik een emotie als onecht taxeerde. Ik heb een afkeer ontwikkeld van wat mij niet authentiek overkomt. Of dat nu in direct contact met anderen is, of ten overstaan van uitgebeelde gedachten, gevoelens in een artistieke expressie.


Daar ben ik niet uniek in. Maar: heb ik gelijk als ik stel dat onechtheid tot weerstand leidt. Klopt het dat een gebrek aan authenticiteit automatisch leidt tot het missen van het doel? Prikken we allemaal genadeloos door voorgewende gevoelens heen, of valt ons massaal een genetisch gemanipuleerd oor aan te naaien?


Freriks houdt het erop dat acteurs heden ten dage zich zouden moeten houden aan een combinatie van enerzijds inleving - het daadwerkelijk zelf ervaren van de te spelen emotie - en anderzijds een werkbare afstand houden die ik vertaal met een meta-bewustzijn. Een acteur dient zicht te houden op waar hij of zij mee bezig is, of hij overkomt of niet, en dient vanuit dat bewustzijn vorm, structuur en contouren aan zijn spel te geven. Zou hij dit niet weten te bereiken, dan loopt hij het risico dat het publiek zich buiten gesloten voelt, hij de enige is die de emotie in kwestie ervaart, en niemand er verder wat mee kan. En dat is toch de bedoeling, nietwaar, dat het publiek er wat mee kan. Dat geldt voor de verwachte opbrengst van een duur betaald schouwburg kaartje, maar net zo goed voor het gratis aanbod in musea in het geval de kijker in het bezit is van een museumjaarkaart.


Twee vragen houden mij bezig. Ten eerste: is het zo dat een louter uit eigen beleving geventileerde emotie in al haar heftigheid een toeschouwende omgeving buiten sluit?


En ten tweede: hoe zit het met het zoogdieren-eigen vermogen om zich in te leven in de gevoelens van anderen? Is dat afhankelijk van de meta-positie die de emotie-eigenaar inneemt, van zijn autonome positie ten opzichte van het gevoelde?




Om met de eerste vraag te beginnen: het is een algemeen bekend feit, dat een huilend kind een vrijwel niet te negeren beroep op volwassenen doet om te gaan handelen. Iedereen kent het door merg en been trekkende verantwoordelijkheidsgevoel dat gejammer en gejank, of het nu om iets kleins gaat of om ernstiger zaken, actie vereist. We gaan troosten, we gaan afleiden, we gaan stelpen, we stellen gerust, of we lopen weg omdat we het simpel niet verdragen. Ook dat is een handeling, een reactie. Dus ik ben er niet bang voor om puur vanuit een in mijzelf gevoelde emotie, die mij desnoods overweldigt, die met een heftigheid op het doek geslingerd is, de wereld tegemoet te treden. Er zullen mensen reageren, desnoods zich afkeren. Mijn publiek doet er wat mee, of het er nu wat mee kan of niet. Maar: mocht ik uit zijn op een catharsis bij mijn spectators, dan zou ik meer zelfbewustzijn aan de dag moeten leggen volgens sommigen. De eerder genoemde meta-postitie dus, waarbij ik bewust omspring met vorm, structuur en contouren. Anders zou ik mijn doel wel eens voorbij kunnen schieten.




Dat brengt mij bij mijn tweede vraag: hoe zit het in de gevallen dat mij die metapositie mankeert, dan met het algemene menselijke vermogen om zich in te leven. Ik zoek verhaal bij Rene Kahn, hersenonderzoeker, hoogleraar psychiatrie Utrecht en tegenwoordig ook tv-persoonlijkheid. Zijn acteurskwaliteiten staan hier nu niet ter discussie.


In zijn boek Onze Hersenen, Balans 2006, legt hij begrijpelijk uit, wat dit inlevingsvermogen inhoudt, hoe het ontstaat en waar het toe dient.


Empathie is ons biologisch aangeboren. Later zal ik ingaan op het feit dat empathie niet automatisch leidt tot sympathie.


Het ligt verankerd in onze hersenen en is onafhankelijk van onze bewuste aansturing. Een aantal boeiende wetenschappelijke experimenten toont het bestaan en activeren van spiegelneuronen in onze hersenen aan. Voorbeeld: wereldberoemd aapjes-experiment. Een aapje dat iemand een rozijn ziet pakken, activeert in zijn hersenen dezelfde neuronen als wanneer hij de rozijn zelf zou pakken. En dat zijn dus niet de neuronen die bij visuele waarneming zijn betrokken. Zelfs wanneer wij een veronderstelde emotie niet letterlijk kunnen waarnemen, worden in onze hersenen - de amygdala - neuronen actief die betrokken zijn bij het ervaren van de emotie, alsof wij haar zelf beleven. Da's interessant. Zeker voor mij als beoogd kunstenaar. Want nu kan ik mij met een gerust hart uitleven in mijn eigen gevoel, zonder enige bewuste afstand te creeren, omdat de spiegelneuronen in de hersenen van mijn publiek zich niet laten verloochenen. Zij zullen voelen wat ik voel, zij zullen onstuitbaar worden meegezogen naar de krochten van mijn gevoelswereld, er is geen vluchten meer aan: zij zullen aan mijn macht om gevoelens op te wekken onderworpen zijn. Nou ja, een beetje bescheidener mag geloof ik wel. Laat ik het zo stellen: ze zullen hoe dan ook iets ervaren bij wat ik wens te tonen.




Dan nu die catharsis. Bereik ik dan ook wat ik wil? Wil ik alleen maar een gespiegeld gevoel oproepen, of wil ik ook iets van een loutering bewerkstelligen? Tja, ik zou op Freud kunnen teruggrijpen hoe dat werkt met louteringen. Maar in de wetenschappelijke brei van vermeende bewijzen over hoe de menselijke psyche zichzelf naar een hoger plan werkt, wordt mij slechts duidelijk dat hierover weinig eenduidigs te melden valt. Loutering kent geen wetmatigheden in haar aanpak - wat bij de een werkt, is voor de ander contraproductief. Ik verheug mij opnieuw in de aanlokkelijke vrijheid om iedere vorm, structuur, contour te laten varen, en gewoon die uitingen over de schutting te kieperen die mij invallen. Wie er wat mee kan, wie zich door mijn brouwsels gelouterd voelt, hij zij geprezen! Zoek het vooral dus allemaal zelf uit, en wellicht zult gij ook vinden.




Kom ik op mijn laatste overwegingen. Hoe zit het dan met sympathie en anti-pathie? Want om de hele theater en kunst-recensie-cultuur nu tot nutteloos, althans achterhaald, te verklaren is maatschappelijk waarschijnlijk niet verantwoord.


Ik doe een beroep op Paul Emmelkamp. Eveneens hoogleraar en vooral vorser naar de menselijke mimiek. Hij onderzocht de authenticiteit van menselijke emoties, zoals af te lezen op het gelaat. En zie daar: wij zijn massaal te misleiden! Een schrikbarend groot aantal onder ons, weet een echte glimlach niet van een onechte te onderscheiden. Hoe komt dat? Want volgens Kahn zouden onze spiegelneuronen ons toch de weg moeten wijzen. Dus als wij iets onechts zien - bijvoorbeeld een kloterig uitgevoerde copy van de schreeuw van Munch - dan zouden wij daar verder ook niets bij voelen. Nee, zo werkt het dus niet. Wij zijn beinvloedt in onze waarneming door ons verleden, onze opvoeding, onze cultuur, onze ervaringen. Als wij dus zijn groot geworden in een milieu waarin de geveinsde maar o, zo beleefde glimlach als intrinsiek waardevol werd beschouwd, zullen wij zo'n glimlach ook als echt ervaren. Onze amygdala slaat feiloos emoties en het eraan gekoppelde leerdoel op voor eindeloos herhaalbaar gebruik.


Mocht het dus zo zijn, dat ik in mijn onschuld een volstrekt hysterisch portret produceer, dan zult u zich onontkoombaar ook even zo hysterisch voelen, maar uw sympathie zal ik niet af kunnen dwingen. Noch uw proces tot hoger bewustzijn of iets wat maar op een catharsis wil lijken.


Dat is effe vette pech: ik sta voor de keus of ik mij zal houden aan de conventies die in de wereld van de kunst gelden en die de grondslag vormen voor het al dan niet verkrijgen van een gunstige beoordeling door mijn publiek. Ik ben een illusie armer, dat het eigenlijk geen piep uitmaakt of ik mijn eigen echte emotie of een geveinsd gevoel, met of zonder vorm, structuur en contour weergeef. Ik dacht even vrij te kunnen spelen. Mar helaas: ik moet mij bezinnen. Hoe ik dat doe weet ik nog niet. Ik zal u nader berichten als ik er meer vorm aan kan geven.




Ik besluit met een aantal visuele impulsen, die u wellicht onbewust inspireren tot nadenken-misschien zelfs handelen.