welcome

DIS DEABUS GRATIA







feel free to enjoy



feel free to react















woensdag 28 april 2010

studium generale; claus egger sorensen over eric gill


zoek

onder mijn pij

krab mijn baard


want ik zoek jou

wil dat je komt

opdat ik feiten vergaar


hoe

te houwen mes

geslepen

voor de ware
uiterste

en nog veel verder dan dat


kans

om te kennen

wat geheim was


zal worden van

mijn zalig

lid tot meester van dit kind


is

alles om mij

ik en de kunst


want jij mijn kind

weet toch niet

beter

studium generale; daniel van der velden en bestuurlijke invloed


Daniel van der Velden is ontwerper en denkt na over de ontwikkeling van stedelijk gebied. Hij zoekt naar het, een verband tussen de hedendaagse netwerkmaatschappij, bestuur en design.

Als introductie toont hij een film van een aanstaand PVV-bestuurder in Almere, die zijn ideeen ventileert over hoe om te gaan met veiligheid in deze profane groeikern. 15% van de ambtenaren zouden ingeruild kunnen worden tegen nieuw te installeren stadscommando's, die ons zouden moeten beschermen tegen alle gevoelens van sociale bedreiging. Strak plan, goed overzichtelijk, militair strategisch, maar of dit nou zo goed doordacht is?

Veronderstelde integratieproblemen worden tot hun proporties teruggebracht, als je je realiseert, dat slechts vier procent van de Nederlandse bevolking behoort tot de als bedreigend ervaren Marokkaanse of Turkse gemeenschap. Verklaring voor de aanmatigende opstelling van PVV-politici zou kunnen liggen in een door angst gecultiveerde onwetendheid.

Nu hebben volgens van der Velden niet zo zeer de politici als wel de bestuurders de macht in ons land. Ik spreek dat hier graag tegen, want de beslissingsverantwoordelijkheid ligt ook bij de kleinste ingrepen in de bebouwde samenleving bij de politiek - voor de verleende mandaten vindt via het democratisch proces de rekening en verantwoording plaats.

Informeel heeft van der Velden natuurlijk wel gelijk: in het bedenken en uitvoeren van allerhande inrichtingsplannen, worden feitelijke besluiten op de werkvloer genomen. De ambtenarij en het tegenwoordig massaal te raadplegen maatschappelijk klankbord ontmoeten de bestuurders in een proces dat veel weg heeft van het gekrakeel op een klassieke agora. Anders gezegd: een proces van "netwerken", dat lang niet altijd verstaan moet worden als net werken, waarin het primaat van verkooptechnieken, redenaarstalent en borrelcapaciteit overheerst. Ik spreek uit ervaring.

Ik schrok op toen van der Velden opperde dat ontwerpers een politieke rol zouden kunnen spelen waar het gaat om het vertalen van de ontwikkeling van een netwerkmaatschappij naar nieuw in te richten stedelijk gebied. Met name het plaats bieden aan nieuwe steedse vormen van communicatie - webshops en zo - zou hierin tot vorm moeten komen.

Maar hoe dan? Tja, dat antwoord was niet zo gauw voorhanden als de vraag gesteld was. Wel begreep ik, dat bijvoorbeeld het maken van pizzafolders waarin steden als Utrecht en Stuttgart geintegreerd zijn, een middel tot deze ruimtelijke vertaalslag zouden kunnen bieden.

Op dit punt aangeland, neem ik een andere afslag dan de virtuele stadsgezichten die getoond werden en ga op zoek naar de betekenis van beeldende kunst in politieke besluitvormingsprocessen. Ik ben benieuwd of ik al mijmerend tot richtingen zou kunnen komen die wellicht perspectief bieden voor de totstandkoming van een veiliger, leefbaarder, prettiger samenleving. Hier dringt zich een autonome associatie op met wasmiddelenreclames uit de jaren 80, waarin aandacht gevraagd werd voor een volstrekt nieuwe ervarng van schoonwassen, rekeninghoudend met de ontluikende gewaarwording van milieueisen. Ze hadden in mijn ogen creatief vaak iets bespottelijks, die reclames.

Eerst wil ik u kort wat voorhouden over hoe in mijn ervaring de genoemde besluitvorming in elkaar steekt. Vervolgens ga ik op zoek naar ingangen voor de creatieve geest en zal ik proberen een waarschijnlijkheidsinschatting te formuleren over de effectieve werkzaamheid daarvan.

Ik zeg u op voorhand dat ik niet tot een nieuw geintegreerd model zal komen om tegemoet te komen aan de netwerkeisen van het bestuurlijk/politieke proces.Ten eerste is dat in mijn geval kansloos, ik koos immers voor beeldende kunst in plaats van een ambtelijke carriere, en ten tweede heb ik daar geen zin in.

Hoe gaat de besluitvorming over de inrichting van netwerk Nederland B.V. in haar werk? Daar stuiten wij op de beleidscyclus: achtereenvolgens worden de volgende stappen genomen:
beleidsvoorbereiding, beleidsontwikkeling, beleidsvaststelling, beleidsuitvoering en beleidsevaluatie. Netwerkers zijn vooral geinteresseerd in alles wat zich vooraan in deze cyclus afspeelt. Op borrels bekt het beter als je kunt melden dat je vooral met ontwikkeling bezig bent en niet met uitvoering. Dat is namelijk saai en niet stoer.

De lieden die vooraan in de cyclus bivakkeren, netwerken er lustig op los in allerhande overleg fora, veelal ook in wandelgangen, en komen zo, in theorie althans, in aanraking met een schat aan ideeen en creatieve suggesties, die verderop in de cyclus tot waardevolle, haalbare oplossingen kunnen leiden. Nu is de grap met netwerken echter, dat andere disciplines maar ternauwernood in het snotje belanden. Daar zei van der Velden terecht over, dat juist in een netwerksamenleving de individuele participant de mogelijkheid heeft, om selectief te zijn in met wie hij omgaat. Waar je geen zin in hebt luister je niet naar, je kiest je eigen club van gelijkgestemden.

Dit is een weinig geruststellende situatie voor ontwerpers met politieke aspiraties. Je komt er gewoon niet tussen. Ik ken wel voorbeelden van begaafde vormgevers die vooraan in het proces met hun ideeen aan de overlegtafel aanschoven. Maar in een groot aantal gevallen werden zij gaandeweg weer gewoon terzijde geschoven. En degenen die wel wisten door te dringen tot aan het sacrum der stadsdesigners, moesten het meer hebben van een goede marketing, dan van de functionaliteit van hun plannen. Zo kon het dus voorkomen, dat monsters als het in een eerder blog al aangehaalde Hoog-Catharijne zijn geboren. En overigens volgens soortgelijke procedures weer tot herziening zijn gedoemd.

Gaat dat dan nooit goed? Jawel hoor. In een enkele wat oudere groeikern in de randstad, hebben wijze mensen zich veel aangetrokken van leefbaarheidsaspecten, sommigen onder u herinneren zich de eerder besproken genus loci, en zijn tot een doordacht en afgewogen systeem gekomen dat een aanvaardbare bebouwde omgeving bevorderde. Het is met deze praktische denkers zelfs zover gekomen, dat er een leerstoel in Delft zat aan te komen, maar die is helaas gesneuveld in de vaart der volkeren.

Wat betekent dit voor de mogelijkheden voor ontwerpers om zich politiek te manifesteren? Niet zo heel veel ben ik bang. Er zijn wel deviante tendensen waarneembaar, waarbij een kunstenaar, een psycholoog, een huismoeder eens uitgenodigd worden om in een denktank zitting te hebben, maar er is voorzover ik heb kunnen waarnemen geen garantie dat dergelijke netwerk-anomalieen tot substantiele kwalitatieve wijziging van de besluitvorming leiden. Het gaat hier toch meer om gelegenheidsclubs, die het bestaan van een eendagsvlieg kunnen voorleven en die naar mijn weten nooit zijn uitgegroeid tot een evergreen.

Ergo: artiesten allerlanden, verenigt u in uw eigen netwerken, bestookt vandaaruit vooral elkaar, bevolkt de musea met uw creatieve ideeen, schrijf er eens een boek over, promoot dat boek ook, en u hebt precies gedaan wat in een netwerk cultuur van u verwacht wordt en wat u aan mogelijkheden gegunt wordt.
Laat de politiek vooral een rol spelen in uw maatschappelijk engagement. Maar sla een uitnodiging om mee te tafelen toch niet op voorhand af. Zoals ik al zei: soms gaat het wel goed en vinden politiek, bestuur en kunstenaar elkaar in een model voor een ruimte biedende samenleving.

Tot de tijd dat het netwerkethos zich herevolueert tot meer ambachtelijke besluitvorming stel ik mijzelf tevreden met het op gezette tijden over de schutting kieperen van particuliere erupties. Mijn laatse product treft u weer bijgaand aan. Het betreft mijn visie op een door electronische netwerken verbonden samenleving, die slechts in de schaduw van bunkers haar bescherming vindt.
Een ontwerper als politicus? Liever niet dus.

Quod erat demonstrandum.


Uw kather

woensdag 21 april 2010

studium generale; jair tchong, afrikaanse muziek en het ontkende concept
















Jair Tchong is een man met een exotische naam en een exotische historie. Hij bereisde een aantal landen in Afrika, op zoek naar zijn eigen inspiratie als het gaat om muziek. Daar schrijft hij als journalist over in onder meer de Groene Amsterdammer en het Parool.


Tchong laat fragmenten horen van Fela Kuti, een Nigeriaanse muzikant, van Franco Kongo uit Congo en van anderen.
Hij legt een verband tussen slavenhandel en Afrikaanse muziek: door de transporten naar de Amerika's zijn bijvoorbeeld Cubaanse invloeden traceerbaar in de rumba congolaise.
Tegenwoordig horen we steeds meer rap en hiphop opklinken van de Afrikaanse vlaktes. Een gevolg van de integratie van de huidige westerse voorliefde voor monotone dreunen, maar dan gecombineerd met vaak nog herkenbare Afrikaanse motieven.
Tchong vraagt ons mee te denken over de perceptie van Afrikaanse rap: velen noemen het commerciele succes hiervan op voorhand kansloos, omdat het niet te verstaan is, want niet in het engels. De ongeschreven regels van de kunst dicteren kennelijk dat we het minstens moeten kunnen volgen wat er in een mic geboerd wordt, want anders haken onze Pinkpop-jongeren gewoon luchtigjes af.
Daar staat tegenover dat de invloed van kunst-critici in de muziek volgens Tchong tanende is; mensen kiezen uit het wereldwijde aanbod aan muziek zelf waarnaar ze luisteren en schijnen zich minder aan te trekken van voormalig gezaghebbende opvattingen over hoe het hoort.
Omdat muziek volgens een door Tchong getoonde stelling van nature onmiddellijk is en fysiek, gaat het een directe relatie aan met het hele lichaam. Daardoor kan muziek niet conceptueel of intellectueel zijn. Muziek is het domein van het gevoel, het sensitieve, het sublieme. Het hoeft niet begrepen te worden, ze is onuitspreekbaar.

Maar daar blijf ik toch even haken. Ik herken dat muziek mij eerder fysiek raakt, dan rationeel. Dat vind ik ook het mooie van het medium. Echter: de getoonde beelden van een westerse rapper die ondersteund wordt door Afrikaanse muzikanten, roept bij mij fysiek een herinnering op - inderdaad: het lichaam heeft zo haar eigen geheugen - aan de boor van de tandarts die voortdurend op dezelfde zenuw zit te poeren. Daar word ik niet blij van, sterker nog: dan bekruipt mij het gevoel dat ik kennelijk iets niet snap van wat via mijn gehoor mijn systeem binnen dringt, en ben ik geneigd om te gaan nadenken. De teksten waren dan wel in het engels en hier en daar voor mij zelfs te verstaan, maar ik kon er geen touw aan vastknopen. Welk idee ging hier achter schuil? Tchong liet het bedoelde fragment horen om aan te kunnen tonen dat westerse neigingen samen kunnen gaan met Afrikaanse tradities en dat de afzonderlijke elementen herkenbaar blijven.
Ik heb dan toch meer het gevoel dat er sprake is van een invasie van een koloniale geest in de subtiele wereld van juichende gitaarweefsels en de metafysica van oerritmes. Ik ervaar een dergelijk samengaan van stijlen niet als een verrijking, maar haast als een geweldadige inbezitname.
Het plezier van de muzikanten, of de toewijding zo u wilt, was overigens wel duidelijk leesbaar voor mij. Evenals de passie van Tchong.

Maar wacht even: hier geen meningen doch louter ontwikkelingstendenzen ten opzichte van mijn eigen werk.
Ik raak het spoor een beetje bijster van het verband van de lezingen en het thema van studium generale: het misverstand over emoties en kunst. Het lijkt mij evident dat muziek gevoelens vertegenwoordigt en aanboort. Maar wat te doen als de toegankelijkheid van hetgeen te berde wordt gebracht, gerelateerd is aan achtergrondkennis, het volgen van hypes, het begrijpen van de bedoeling van het idee van een stampende tekstweergave?
Dan komen we toch weer aardig dicht in de buurt van wat de conceptuelen beogen. Een kunst waarin de ideevorming, de omgeving, de gebeurtenis of het ten uitvoer brengen van een act centraal staat en niet zozeer, of niet langer, aandacht wordt gevraagd voor de kwaliteit van de feitelijke weergave. In mijn beleving soms hoogst megalomaan, soms verrassend. Maar zelden ervaar ik dat fysieke gewaarworden dat muziek met mij kan doen. Mogelijk een kwestie van smaak, meer waarschijnlijk een kwestie van begrip in mijn geval.
Kijk, nu ben ik nog veilig gedekt door de context van een opleiding, hoef ik het nog allemaal niet te snappen of te kunnen, maar ik zie mij wel voor een levensgroot paradigma geplaatst. Hoe verbuig ik de modelvorming naar eigen hand, op een begrijpelijke manier, zodat mijn schepsels iets toevoegen aan de menselijke bewustwording?
Sorry, maar ik heb geen idee. Ik doe ook maar wat, dat mag nu toch ook nog?

Net als in de vreemde melange van westerse en Afrikaanse stijlen, gooi ik elementen op een hoop, zaai verwarring, stuit op sternum en hoop tot u door te dringen. Ik kan nog niet beter en ik weet nog niet beter. Maar mijn passie is voor sommigen zichtbaar.
Ik gun u wederom een blik in mijn studio en wil u een fotoserie tonen waarin een van mijn schilderingen is opgenomen. Er valt weinig aan te snappen. Ik hoop slechts dat u gewaar wordt wat ik voelde toen ik het maakte.
Voor de concepttijgers heb ik wel enige aanwijzingen: op zoek naar de verbeelding van eenzaamheid en een gebrek aan samenhang, kwam ik uit in een bunker. En plaatse daar mijn eigen bunker..Slechts de randen van foto's of papier vormen een kader.


Tot later, ik wens u een voorspoedige integratie,

uw kather

woensdag 14 april 2010

studium generale; constant dullaert en alledaagse emoties in de kunst
















Constant Dullaert toont filmpjes die hij van internet plukt en door zijn compilatie heeft verheven tot kunst. Gewone filmpjes, waarin mensen producten aanprijzen, zonder dat zij kennelijk bedoeld waren als artistieke expressie. Ook heeft hij beelden achter elkaar gezet van materiaal dat hij op youtube aantrof, of dat hij uit een quiz of een praatprogramma haalde.
We zien etende mensen die huilen, noddy's uit Barend en van Dorp die ondanks hun stilzwijgen toch heel wat uitdrukken, huiskamers waar we als voyeurs in rond kunnen lopen, een brommer die te koop is aangeboden maar niet wil starten, een nieuwslezer met zijn ogen dicht.
Van groepsfoto's die mensen aan de massa bekend maken via het internet, maakt hij nieuwe composities door zichzelf ertussen te projecteren. Het kostte hem naar eigen zeggen moeite om zich aan de context van de foto aan te passen, maar het levert uiterst vermakelijk en origineel beeldmateriaal.
Zelf biedt Dullaert nu software aan via het web, die het mogelijk maakt om onder opnamen de effecten van een reeele aardbeving te zetten.
Het meest dicht bij zijn eigen gevoel waren foto's, die hij zo gemanipuleerd heeft dat de zon eruit is verdwenen. Ontkenning van de zon, zegt Dullaert.
En het meest tot de verbeelding spraken twee weggegooide VHS-tapes van bruiloften. De ene film betreft een blinde man als aanstaand echtgenoot, die ondanks dat hij de resultaten nooit heeft kunnen zien coulant meewerkt aan de cliche aandoende opnamen. Moet voor een blinde wel heel wat toewijding vragen om zich daartoe te laten zetten. Dit huwelijk zal vast wel stand hebben gehouden.
En de laatste film toont eveneens een kersvers echtpaar, zij vermoedelijk veel jonger dan hij. Of dit de opmaat was naar een duurzaam verbond betwijfel ik. Ze lacht nergens, is mogelijk nog minderjarig, haar jurk is te groot en onhandig lopen de beide echtelieden geregeld van elkaar weg uit beeld.
Wat kan ik zelf doen met alledaagse beelden, zodat zij een kunstzinnig randje krijgen?
Afgelopen zondag was ik met mijn kinderen en buurkinderen naar de speeltuin getogen. Camera mee, want je weet maar nooit.
Voor nog geen 50 euri hadden we een prima middag. Achteraf leek mij de investering helemaal de moeite waard, omdat ik een aantal beelden oogstte die tot een verhaal leidden waar ik vantvoren wel op gehoopt had, maar dat kon ik toen niet voorzien.
De foto's waar het mij om gaat treft u boven deze tekst aan. Ik legde u al eerder uit dat dat met onhandigheid te maken heeft. Ze staan ook niet in de juiste volgorde, terwijl ik toch zeker wist dat ik het goed deed. Maar affijn, ik deel nu graag het verhaal met u dat in de speeltuin voor mijn ogen zich voltrok.
foto 1, klauterend meisje
Ik nodig u uit om met deze foto te beginnen. U weet nu natuurlijk al dat hij genomen is in een speeltuin, en dat dit kind, overigens niet het mijne, gewoon aan het spelen is. Wat de foto mogelijk een ander karakter geeft dan wat er in werkelijkheid staat afgebeeld, is het materiaal van het speelobject en het feit dat er links op de foto nog een ander kind weg schiet. Het beton van de bunker moest indertijd bescherming bieden tegen oorlogsgeweld, nu wordt er gespeeld. Een eerste contrast. Maar er zou meer aan de hand kunnen zijn..
foto 2, wegrennende jongen
De suggestie van vluchtende kinderen wordt voortgezet. De jongen maakt zich in haast uit de voeten. Maar waarvoor? De grauwe achtergrond biedt weinig perspectief, noch soelaas.
foto 3, uitgestoken hand
De spanning is op een sinister hoogtepunt. Ik kan u verklappen, dat op mijn verzoek een van de spelende kinderen voor mijn lens voorbij vloog. Maar welk een schoon toeval: een uitgestoken hand, die bij mij de gedachte aan een schreeuw om hulp opriep.We zijn nu niet meer buiten, maar binnen in een obscure ruimte. Dat daar dus kinderen spelen lijkt in eerste instantie niet voor de hand te liggen. Doordat het kind naar links wijkt, is de uitweg richting het groen voor haar niet bereikbaar. Als dat maar goed afloopt...
foto 4, lopende figuur
Na de noodkreet uit de vorige foto, vond ik een toevallige passant die treffend eveneens naar links loopt in het beeld. Zie daar: de suggestie dat hij het kind achter na gaat. Het licht-donker contrast is verder afgenomen, duister overheerst. Wel krijgen we wat meer overzicht over de situatie omdat iets verder uitgezoomd is, waardoor meer van de ruimte zichtbaar is geworden. Maar veel houvast gun ik u niet- het doet beangstigend aan. U kunt zich op iets meer afstand wanen, maar dat is snel afgelopen met de volgende en laatste foto...
foto 5, de dader
En dan is daar de ontmaskering. Getroffen als een vage flits van besef, dat we hier met de kwade genius te maken hebben. De man gaat op in het donker, alsof hij er een verbond mee heeft gesloten. Arm in de zij. Zoals na een gemist doelpunt, of ten teken van de misdadige overwinning?
De figurant in kwestie is zich nadrukkelijk van geen kwaad bewust. Hij dacht gewoon voor een beeldend kunstenaar in opleiding te poseren. Dank daarvoor nog!
Zo kunnen wij dus de realiteit naar onze geest zetten. Beelden met elkaar verbinden, waardoor een volstrekt andere betekenis kan ontstaan dan wij op het eerste gezicht dachten. Gevaarlijk, maar ook aantrekkelijk. Ik hoop dat u na mijn manipulaties niet het gevoel heeft overgehouden dat u overal ten prooi zou kunnen vallen aan criminaliserende tendensen. Ook als u zich volkomen te goeder trouw onder de mensen begeeft.
Maar een gewaarschuwd mens...juist.
uw kather










woensdag 7 april 2010

studium generale; Roland van der Vorst en Hoop

Roland van der Vorst, een veelzijdig man die zich zowel in de commercie als in de wetenschap thuis voelt, deelt zijn visie over hoop. Hoop als drijvende kracht om mensen te verleiden, om mensen tot actie aan te zetten, maar ook om te misleiden.
Hij schetst een aantal assen waarlangs indelingen van verschillende categorieen hoop ontstaan. Hoopgevers kunnen respectievelijk een positieve boodschap brengen, dan wel zich ergens tegen afzetten en dit gecombineerd met hetzij het verleden hetzij de toekomst als referentiekader levert vier standpunten op ten aanzien van hoop: nostalgisch, toekomstgericht, een breuk met het verleden en het mee gaan met de actuele stroom. Vier soorten hoop ontstaan volgens van der Vorst als we de kans om te slagen af zetten tegen de tijd die we verwachtingsvol uit moeten zitten: gemoedshoop, christelijke hoop, gelegenheidshoop en prestatiehoop.
Gemoedshoop kan met name door een ervaring met beeldende kunst worden opgeroepen: het gemoed verheugt zich in de schoonheid of anderszins van het aanschouwde, maar de kans op bereiken van het weergegeven ideaal is klein. Bij de Christenen is volgens van der Vorst de kans op succes veel groter: als je je maar houdt aan de Christelijke deugden, is een plek in de hemel zo goed als zeker. Gelegenheidshoop lijkt een eigentijds verschijnsel, dat mensen een uitweg biedt om hun falen af te kopen. Zoals het investeren in een boom als je per vliegtuig reist. En prestatiehoop is tot ongekende hoogten gestegen sinds de verlichting en de technologische vooruitgang: de mens acht zichzelf in staat om op basis van kunnen de wereld naar zijn hand te zetten.

Gemoedshoop ligt het dichts bij het door mij geambieerde vak. Ik voel het vooralsnog niet als mijn taak om publiek van hoop te voorzien, maar het zou wel mooi zijn als die enkeling die in verwarring steun zoekt bij de door mij naar mijn hand gezette wereld, daar hoop uit put. Al was het alleen maar om zich minder eenzaam te wanen in de nabijheid van een gelijkgestemde geest.

Dat brengt bij mij een boekje in herinnering, dat ik jaren geleden eens kreeg van een vriendin. Zij was toen al ziek, en het gaat nu nog steeds niet veel beter. Zij verkeert in de fase van negatieve symptomen die gepaard gaan met de psychotische episodes die schyzofrenie kenmerken.
Maar dat boekje. Ze gaf het mij toen ze ervan overtuigd was de reincarnatie te zijn van de schrijfster. Olive Schreiner, het negende kind van een zendelingen echtpaar, dat in maart 1855 in Zuid-Afrika ter wereld kwam. In Dromen geeft zij in welluidende woorden de mens de hoop dat het ooit nog goed kan komen met diens geestelijke gesteldheid. Haar verhalen zijn poetisch, schilderachtig, misterieus, moralistisch. Als ware het parabels uit een ander veel verkochte boek.
Ik kon geen verhaal vinden waarin zij de hoop centraal stelt. Maar ze bracht me wel op gedachten...

In een land, hier ver vandaan, maar toch ook weer niet zo ver dat het niet bereisbaar zou zijn - als je zou willen zou je met paard en wagen nog geen etmaal onderweg zijn, maar weinig mensen kiezen daar nog voor - leefde eens een vrouw. Zij was niet oud, maar ook niet jong. Van haar werd gezegd, dat ze ooit een zekere schoonheid moet hebben gehad, maar weer anderen vonden dat haar kwaliteiten nog moesten ontluiken.
De vrouw leefde alleen. Ze bewoonde een kleine hoeve, aan de rand van een woud, dat 's zomers gonsde van de insecten die boven de bloemen dansten, en dat 's winters slechts terrein bood aan hongerige wolven, wiens gehuil dan door de kale stammen weerkaatst werd.
De vrouw had jaren alleen contact met de mensen gehad, als zij op haar muilezel de weg naar het dorp ging, om inkopen te doen en om wat van de opbrengsten van haar moestuin, wat eieren van haar kippen te slijten. En zo kon zij zich bedruipen. Ze leefde niet in overvloed, maar was niet ondervoed en stelde zich tevreden met haar situatie.
Op een dag, zij was naar de markt gegaan om wol te kopen voor een nieuwe mantel voor de komende winter, zag zij in het voorbijgaan van de kramen een oude vrouw zitten die doeken verkocht. Haar kraam was niet opvallend, er lagen lappen van onbestemde kleuren, en zij trok geen enkele aandacht voor haar waar doordat zij haar niet aanprees. Zij zat terzijde van de drukte, aan de rand van de grote bedrijvigheid, waar de markt ophield en het gewone straatleven haar eigen ritme had. De oude vrouw droeg een witte mantel, die door het dragen grauw was geworden en haar kap had ze diep over haar gezicht getrokken. De jongere vrouw wilde voorbijgaan aan de kraam, maar toen zij langs liep viel haar blik op het beschaduwde gelaat onder de kap en zij groette de oudere vrouw. Onder haar mantel stak zij haar hand uit die een halve cirkel beschreef over de lappen die voor haar lagen. Maar ik heb geen lappen nodig, dacht de jongere vrouw, en toch bleef zij staan. De beide vrouwen keken elkaar aan, geen van beiden sprak, totdat de jongere het zwijgen doorbrak, als om een toon te geven aan de onhandige leegte die zij gewaar werd, en vroeg: waarvoor dienen die lappen? De oude vrouw antwoordde, dat zij al vele lappen had verkocht om het zilver van de rijken te poetsen, maar dat haar lappen door de armen even zo goed gebruikt werden om hun zuigelingen droog te houden. De jongere vrouw hernam zich en haalde haar schouders op. Ik heb geen zilver, noch kinderen, ik heb uw waar niet nodig, zei zij. Maar de oude vrouw hield haar gevangen in haar blik vanonder haar kap en reikte haar een rode lap. Voor slechts een rijder zal deze lap u vergezellen op uw tocht, sprak zij. De jongere vrouw voorzag een bieden en afdingen en omdat de prijs haar niet kon breken, tastte zij in haar beurs en kocht de lap. Maar mag ik dan uw naam weten, zodat ik op de tocht waar u op doelt, nog aan u terug kan denken als ik de lap eens nodig mocht hebben, zei zij. Prudentia, antwoordde de oude vrouw en de jongere borg de lap in haar mand in ging verder.

De vrouw keerde terug naar haar hoeve. Zij at groenten van haar tuin en dronk water uit de bron, dat zij wekelijks met zware kruiken uit het woud putte. Die nacht sliep zij vast en bij het ontwaken kon zij zich geen droom herinneren. Zij warmde zich een kom van de melk die de geit haar die ochtend geschonken had, voerde de kippen en zag haar huis aan. Onwillekeurig greep zij naar de lap, die zij bij haar verstelwerk in de naaimand had gelegd en zette zich aan de houten tafel. Ze pakte de koperen ketel van het fornuis en wreef hem met de rode lap. Maar veel richtte haar werk niet uit. De ketel behield zijn bruin-groene huid en vertoonde onverminderd de sporen van jarenlang gebruik. Zand zou ik moeten hebben, dacht de vrouw. En zij stond op en liep haar tuin in. Maar daar trof zij slechts de vette, dikke klei waarin zij haar sla, haar rapen en radijzen teelde.

De vrouw vatte haar mand, sloeg zich een doek om de schouders en trok het woud in. De zon brak door en verlichtte de naalden van de dennen op haar pad. Dauwige banen ademde de aarde tussen de bodem door en de vrouw volgde hun spoor, zonder te weten waarnaar zij opweg was.
Toen zij moe werd en zich langs de kant van het pad te rusten wilde leggen, zag zij tegen een boom een andere vrouw zitten. Zij tekende cirkels in het zand onder de dennenbomen. Wie bent u, vroeg de vrouw die op pad was, en wat doet u hier zo alleen? Het wordt immers al kouder met deze tijd van het jaar en je moet het woud kennen om niet aan de gevaren ten prooi te vallen. De vrouw bij de boom hield haar hoofd in de richting waar het geluid vandaan kwam en glimlachte. Ze keek de vragenstelster niet aan, maar ook zonder haar blik te kruisen zag de vrouw die op weg was dat zij blind was. Ik verwachtte u al, zei de vrouw bij de boom. Hier vindt u het zand om uw ketel te schuren. Maar u heeft niet gedacht aan een beurs om het in te bewaren. De andere vrouw was verbaasd en wilde om uitleg vragen. Maar de vrouw bij de boom reikte haar een beurs van blauw vilt. Zij vulde hem met het zand waarin zij getekend had. Ik geef u deze beurs om het zand in te bewaren dat u nodig hebt. Neem hem van mij aan, u zult er wel bij varen. De ander nam de beurs aan en stak hem in de zak van haar schort. Maar zeg mij dan hoe u heet, zodat ik u op mijn tocht in dankbaarheid kan gedenken, zei zij. Justitia, antwoordde de vrouw bij de boom en zij boog haar hoofd naar de aarde waar zij verder ging met het trekken van cirkels.

Nu heb ik zand en een beurs waar ik wel bij zal varen, een rode doek om mijn ketel te wrijven, dacht de vrouw en zij wilde terugkeren naar haar hoeve.
Maar plots werd haar aandacht getrokken door een vogel, die hoog boven de toppen van de bomen cirkelde en zijn schaduw wierp op het pad van de vrouw. Zij kon hem niet thuis brengen en volgde hem met haar ogen. De bomen benamen haar het uitzicht en zij liep verder, steeds omhoog kijkend of zij de vogel nog kon zien, naar de rand van het woud. Daar kwam zij aan de voet van de bergen en de vogel cirkelde tot hij neerstreek op de plaats waar hij waarschijnlijk zijn nest had. De wind trok aan en de vrouw mistte de beschutting van het woud nu zij slechts haar omslagdoek had om zich te warmen. Haar nieuwsgierigheid leidde haar verder in de richting van de bergen, maar ze wist dat ze het nest van de vogel niet zou kunnen vinden. Ze kende het pad niet waarop ze ging, maar genoot van het vergezicht. Ze keek nu neer op de bomen, zag om naar haar hoeve die ver achter haar lag. En boven zich zag ze wolken samenpakken, donker en dreigend, ze huiverde. Ik moet weer teruggaan, dacht ze en draaide zich om. Ongelukkig stapte ze op een loszittende steen en verstuikte haar enkel. Ze probeerde zich op te richten, liet haar gewicht op haar goede been rusten en keek om naar een stok om steun aan te hebben. Maar zij zag slechts de mossige stenen, de zwakke helmen van berggras. Hulpeloos keek ze om zich heen, het blazen van de wind in haar oren. Daar hoorde ze wat, boven het jagen van de wind uit, een stem die zong. Vast en sterk klonken de flarden die zij opving. Ze probeerde te ontdekken waar het gezang vandaan gekomen kon zijn, maar het bleef weer weg. Ze was alleen in de aantrekkende storm die haar ogen verblindde door de tranen die hij aan blies. Moedeloos liet zij zich weer op de grond zakken en tastte in haar schort naar een doek om haar gezicht te betten. Zij voelde de beurs met het zand en zag de blinde vrouw weer voor zich. Toen schrok zij op doordat zij een gewicht op haar schouder voelde. Ze keerde zich instinctief om om te zien wat er achter haar was, en zag de laarzen van een man. Grote, bruine laarzen, die geleden hadden onder de afstanden die zij afgelegd hadden, de omstandigheden waaronder zij gediend hadden. De vrouw keek op en zag het gezicht van een sterke, zongeblakerde man die met zijn koele blauwe ogen op haar neerzag. Op zijn rug droeg hij een ransel waaruit een stok stak waaraan een handbijl bungelde. Wie bent u? vroeg de vrouw verschrikt. Ik ben Fortitudo, zei de man. Ik zou je aan een stok kunnen helpen, maar beter is het als je zelf de weg terug vindt. Een stok, geef mij alstublieft een stok, zodat ik houvast heb om de weg naar beneden te gaan, en mij kan weren tegen de wolven die beneden in het woud al hun maaltijd bezingen, zei de vrouw.
Nee, zei de man, mijn hulp zal jou niet baten. Ik kan je niet geven wat je zoekt, je zult er zelf iets op moeten vinden. Wees niet zo hard en gun mij uw steun, smeekte de vrouw. Maar de man had zich al omgedraaid en met enkele behendige sprongen verdween hij tussen de rotsen.

De wind loeide. De vrouw wilde terug naar haar huis. In het woud huilden de wolven. De kou van de wind sneed door haar beenderen en gezeten op haar rok liet zij zich naar beneden glijden, over de gladde stenen. Toen zij weer aan de rand van het woud was, vond ze een stevige tak waarop zij kon leunen. Bang zette ze de tocht voort, het janken van de wind en wolven als een canon om haar heen.
Voetje voor voetje vervolgde ze haar weg. Regen doorweekte haar kleren, ze wilde dat ze thuis was en zich kon drogen bij het vuur van haar haard. Waarom ben ik weggegaan, vroeg ze zich af. Een antwoord had ze niet. De wolven kwamen nader, ze zag hun schimmen tussen de dikke regen en de stammen van de bomen. Steeds dichterbij kwamen ze, in nauwer sluitende cirkels slopen ze op de vrouw toe. Nu zag ze hun gloeiende ogen door de striemende regenflarden en de zware stammen heen. Ga! riep ze, ga, en laat mij met rust! Ze zwaaide met haar tak, maar de beesten lieten zich niet verjagen. Ze waren nu zo dichtbij dat ze hun tanden kon zien flikkeren onder het van regen druipende opgetrokken tandvlees. Ga weg, riep ze weer en ze maaide met haar stok in het rond. Hinkend, steeds sneller om haar as draaiend sloeg ze om zich heen. De bulderende wind, de slagregen, het grommen van de dieren, zij hoorde het niet meer. Als een bezetene sloeg ze, kliefde ze de lucht, hakte in het niets. Totdat ze voelde dat haar tak brak. Plotsklaps stond ze stil en zocht naar wat ze geraakt had. Ze wist dat nu ze niet meer als een dolleman bewoog, ze ten prooi zou vallen aan de vraatzucht van de wolven. Maar behalve de wind en de regen die haar geselden, wild nog maar wel al kalmer, gebeurde er niets. De wolven, dacht ze, maar ze zag ze niet. Daar lag haar stok, in tweeen op de grond aan haar voeten, en bij zoom van haar rok lag een grote grijze wolf. Ze had hem gedood.

Opgetogen, met een haar onbekende energie beende ze verder, op weg naar haar huis. En na een niet te duiden tijd opende ze de deur van haar hoeve. De storm was geluwd, de regen miezerde nog na. Ze trok de natte kleren uit, hing ze bij de haard te drogen en haar blik viel op de koperen ketel. In de zak van haar schort vond ze de beurs met zand en ze glimlachte. Met de beurs in haar hand viel ze in haar alkoof in slaap.

De volgende morgen werd de vrouw wakker van een zacht geklop op haar deur. Ze deed open en voor haar stond een geestelijke. Zijn pij was gescheurd, zijn huid gehavend. Wat komt u doen,vroeg de vrouw. Ik ben ziek en zoek onderdak om aan te kunnen sterken, zei de geestelijke. Maar waar komt u vandaan, vroeg de vrouw weer. Mijn kerk heeft mij verstoten. Ik was een belangrijk kardinaal, maar ik vergreep mij aan de schoonheid van jonge knapen. Nu ben ik ziek en ik vraag u om hulp.
De vrouw stelde geen vragen meer en liet de man binnen. Zij legde hem te rusten in haar stee.
De man at de groenten uit de tuin van de vrouw, 's avonds zaten zij gezamenlijk bij het haardvuur, terwijl de vrouw met het zand uit de beurs en de rode lap uit haar mand haar ketel schuurde. De maanden verstreken, zij vroeg niet en hij vertelde niet.
Tot op een dag de man zich strekte, de vrouw aankeek en tot haar zei: mijn tijd zit er hier op. Ik ben genezen en ga weer. U hebt mij onderdak gegeven, u hebt mij gevoed en verzorgd. Dank voor uw gastvrijheid.
Maar ik weet niet eens hoe u heet, zei de vrouw. Ik ben Temperantia, zei de man, ik ben u veel verschuldigd. Aardse goederen kan ik u niet geven, maar u bent al een rijk mens. Slechts mijn aanwezigheid is wat ik u nalaat.
Wat een vreemde naam voor een man, dacht de vrouw. En ze liep met hem naar de deur. Ze gaven elkaar een hand en zij zwaaide hem na totdat hij tussen de bomen verdween. In de tuin van de vrouw bloeide de hop. De venkel geurde en de rozen groeiden tot aan de rand van haar dak. De zon scheen tussen de wolken door.

Arte perennat amor.

uw kather

woensdag 31 maart 2010

studium generale; coen van zwol en de grote kassuccessen


Allereerst wil ik hier mijn excuses maken voor eerdere blogs, waarin ik in strijd met de opzet van studium generale ongegeneerd een aantal negatieve meningen ventileerde. Dit was te makkelijk, onterecht en ik heb de betreffende blogs aangepast.
Coen van Zwol, recensent voor film en theater bij het NRC, vertelt over emotie in de film. Van Hitchcock tot Brecht, haalt hij voorbeelden aan van hoe verschillende filmmakers verschillend zijn omgesprongen met het verbeelden van emoties.
Alles lijkt geregiseerd, maar soms speelt toeval, de intuitie tijdens de opname van een scene een rol. Van Zwol geeft een aantal uitdrukkingsmogelijkheden: het spel van de acteurs, het camerastandpunt, de opbouw van shots, de montage, kleding, decors. In sommige films zijn decors bewust gebruikt om een emotie over te brengen (La Futura, '60). Cameragebruik kan ook bijdragen aan het opbouwen van een spanning: een steeds grotere groothoek stelt de filmer in staat om dichter in te zoomen en zo uiteindelijk een claustrofobisch effect op de kijker te bewerkstelligen (Twelve Angry men).
Volgens van Zwol worden vooral de emoties rond liefde en dood, begeerte en verlies getoond in films. De spanning, suspence naar Hitchcock, blijkt door de eeuwen heen publiek te trekken. Waar Plato hierin nog aanleiding zag om alle toneel te verbieden omdat zij tot zedelijke bederf zou leiden, vond Aristoteles dat het volgen van wetten juist kon bijdragen tot verheffing van de zeden. Eenheid van tijd, plaats en handeling, uitmondend in een catharsis was en is voor velen het recept voor een vermakelijk en stichtend stukje spanninng.
Van Zwol merkt op dat vanaf de jaren 60 er een omslag waarneembaar is in de filmwereld: mensen hebben steeds sterkere prikkels nodig om zich geentertaind te voelen. Regisseurs laten zoveel mogelijk expliciet zien, gebruik makend van de nieuwste mogelijkheden op het gebied van special effects. Een terugkeer naar de wreedheden in Romeinse arena's en Middel Eeuwse martelkamers lijkt de wetmatige herhaling van de geschiedenis te belichamen. We denken wel dat we ons verder ontwikkelen - het experimenteren met een vierde dimensie waarbij toeschouwers door fysieke effecten in de film betrokken worden - maar in wezen is er met uiterste genres zoals de martelporno niet erg veel vooruitgang te constateren. We zijn murw. Er wordt wel veel geld verdiend in de film, dat wel. En dat grote geld, verdiend aan grote kassuccessen corrumpeert. Ik heb de indruk dat het kunstzinnige element in de film verloochend is ten gunste van geldelijk gewin. Dat zou toch ook anders moeten kunnen?

Ik vraag mij dan ook af of er zielen zijn die de film niet zo zeer als een potentiele melkkoe beschouwen, maar die haar tot kunst wensen te verheffen. Welke principes hanteren deze regisseurs, hoe kijken zij tegen de film als kunstuiting aan? Van welke methodes wordt daarbij gebruik gemaakt? Welke verantwoordelijkheden legt dat bij de maker en wat vinden we daarvan terug in de moderne kunstindustrie in brede zin? Wat zou de moderne kunstenaar zich af moeten vragen bij de uitoefening van zijn ambacht en de schepping van een werkstuk en wat betekent dat voor de opleidingen tot erkend kunstenaar?
U had van mij nog enige bespiegelingen tegoed over hoe een kunstenaar zich zou kunnen ontwikkelen en mijn ideeen over de basis daarvan die in de opleidingen gelegd zou kunnen worden. Het eind van het eerste deel van de lezingen-cyclus over emoties en kunst wil ik daar graag voorgebruiken.

Definitiekwesties
Andrei Tarkovsky verontschuldigt zich in zijn boek De Verzegelde Tijd, Historische uitgeverij Groningen, 1991 voor het feit dat hij zich genoodzaakt voelt naar pen en papier te grijpen om zijn bedoelingen duidelijk te kunnen maken. Liever had hij gezien dat zijn films voor zich spraken. Maar nuchter merkt hij op, dat kunst en dus ook zijn kunst, het brede publiek over het algemeen niet kan verlichten.
In de jaren 60, 70 en 80 van de vorige eeuw maakte deze Russische regisseur een aantal prachtige films, die van een heel andere kwaliteit zijn dat wat zowel toen als nu gebruikelijk is. Ik herinner mij De Stoomwals en de Viool, die ik als kind zag. Ik begreep er niets van, maar voelde me op een voor mij ongekende manier volledig opgenomen in de werkelijkheid van die film. Een dergelijke ervaring heb ik later nog maar zelden gehad bij het kijken naar films.

Tarkovsky brengt in zijn boek de moed op om een definitie te geven van kunst en daar kritische consequenties aan te verbinden voor zijn eigen werk.
Voor hem ligt de algemene functie van kunst in het idee van kennen, van het bereiken van een inzicht dat op waarheid is gebaseerd, dat met een catharsis tot stand komt. Of met het oproepen van vragen omtrent deze waarheid. Tarkovsky bedoelt hier geen absolute, wetenschappelijk verifieerbare waarheid, maar een waarachtige geestelijke beleving die een toeschouwer overkomt op het moment dat hij oog in oog, oor in oor met kunst staat. Dat kan voor ieder verschillend zijn, maar authenticiteit is de rode draad, de verbindende factor.
De kunstenaar schept een beeld dat inzicht verschaft in het absolute, het spirituele verlangen naar een ideaal. Hoewel er nog niemand in geslaagd is om dit ideaal te definieren, gaat Tarkovsky ervan uit, dat het doormaken van een geestelijke ontwikkeling ons dichter bij dat ideaal brengt. Hij grijpt terug op bijbelse idealen waarin zelfopoffering, belangenloosheid, het goede, de liefde benadrukt worden. Maar hij is niet dogmatisch in de zin dat hij de wet wenst voor te schrijven. Het vereist nogal wat inzicht in de menselijke geest om hem hierin te kunnen begrijpen en te volgen, zonder hem tot karikatuur te vermaken van alles wat vaag is.

Afbakening
Tarkosvsky hekelt de moderne massa-consumptie maatschappij die de ziel verminkt en de weg blokkeert naar de kernvragen van het menselijk bestaan, naar bewustwording van de mens van zichzelf als geestelijk wezen.
En hij hekelt evengoed de kunstenaars die zich op een volgens hem niet-authentieke manier kwijten van hun opdracht. Zo stelt hij over de Sixtijnse Madonna van Rafael (zie afbeelding) dat de kunstenaar naar zijn smaak veel te expliciet te werk is gegaan, en daarmee oppervlakkig en bloedeloos is geworden. Rafael concentreert zich slechts op het illustreren van een gedachte en boet daarvoor in op intensiteit en energie. Als ware hij meester over de beleving van de toeschouwers, dwingt hij de kijker een interpretatie, een beleving op, die door haar uitbeelding al volledig verklaard is en daarom geen catharsis of dieper inzicht in de menselijke geest teweeg kan brengen.

Middelen en methoden
Tarkovsky bedient zich net als andere regisseurs van bekende filmische middelen. Hij onderscheidt zich echter, door een uniek gebruik daarvan. En juist dit unieke gebruik opent de poort naar het grotere geheel, de door hem nagestreefde absolute waarheid van de geest. Volgens Tarkovsky is de waarheid slechts te vinden, te benaderen door een volstrekt unieke uiting daarvan. In het individuele ligt het universele; in het universele ontplooit zich het individuele.
Tarkovsky zal zelden een scene op basis van een idee opzetten. Hij laat zich op de set leiden door zijn eigen intuitie, maar ook door de ingevingen van het team waarmee hij werkt.
Qua camerastandpunt zal hij voorkomen, dat emoties als het ware overbelicht in beeld komen - veel blijft doelbewust impliciet - zodat de toeschouwer noodgedwongen bij zichzelf te rade moet gaan en na moet proberen te voelen wat de filmer in beeld bracht.
Acteurs laat hij meestal geen kennis nemen van het volledige scenario. Hiermeer bereikt hij dat de spelers niet onbewust kunnen door laten schemeren hoe het hen verder zal vergaan, maar dat de spanning in de opbouw en de afwikkeling van gevoelens bewaard blijft. Net als in een gewoon mensenleven, waarbij we vantevoren nauwelijks kunnen weten wat ons te wachten staat.
Muziek in de film vindt Tarkovsky in principe overbodig, omdat het de authenticiteit van het filmische beeld kan verstoren. Hij gebruikt muziek hooguit als refrein, om verbanden in zijn films aan te brengen.

Verantwoordelijkheid
Film impliceert voor Tarkovsky een volledige ervaring van de werkelijkheid. Kijkers worden niet slechts symbolen of hieroglyfen aangeboden, maar een wereld die zij alsof het een levensechte droom betreft, ervaren als werkelijk. In de schilderkunst zal volgens hem niemand het in zijn hoofd halen om de prent met de werkelijkheid te vergelijken, bij de filmkunst is dit nu juist essentieel.
Nu realiseert Tarkovsky zich dat de toeschouwer vooral belangstelling heeft voor wat hij noemt exotische onderwerpen, die zich ver van het leven van alledag bevinden. Hij verklaart dit door de toeschouwer ervan te verdenken dat hij in de misvatting verkeert zijn eigen leven voldoende te kennen en zich graag laat verstrooien door volstrekt andere, afwijkende ervaringen.
Dit probleem veronderstelt hij bij alle kunstvormen: mensen zijn eerder geneigd tot het zoeken van vermaak en niet bereid tot de worsteling die naar diepgang leidt.
Hier ziet hij een verantwoordelijkheid voor kunstenaars: zij beinvloeden de publieke smaak en zouden zich verre moeten houden van het produceren van werken die de morele ongevoeligheid bij het gros van de mensen bevestigen. De kunstenaar heeft een taak de smaak van het publiek te vormen en te cultiveren, door middel van zijn unieke, dat wil zeggen authentieke, beroep op waarheidsvinding.
Aanvaardt een kunstenaar deze roeping, dan betekent dat dat hij bereid is zich dienstbaar op te stellen omwille van zijn talent. Hij beperkt zich in zijn vrijheid om willekeurig ieder stuiptrekking van het ego wereldkundig te maken. Hij beperkt zich tot het goede, ware, moreel zuivere. De innerlijke vrijheid van een kunstenaar zit hem in het aanwenden van zijn talent ten behoeve van de stichting van de massa. Daarvoor is het essentieel dat de kunstenaar de te verbeelden menselijke strevens, verlangens, gevoelens kent, en dat hij niet slechts vanuit de illustratie van een concept handelt. Bovendien dient volgens Tarkovsky de kunstenaar niet zelf aanwezig te zijn in het eindproduct, zodat hij in feite ter verheerlijking van zichzelf iets geschapen heeft, maar is hij slechts het medium waarlangs een universeel proces tot stand komt.

Artistieke attitude
Ik kan mij zo voorstellen, dat een aantal van degenen die deze tekst onder ogen krijgen, bij mijn zeer beknopte weergave van de ideeen van Tarkovsky afhaken. Ik kan mij voorstellen, dat u geen idee heeft waar dergelijk poetisch gewauwel goed voor kan zijn. Dat u bij voorbaat al een verlammende vermoeing bemerkt in het proberen te begrijpen van wat bedoeld wordt. Of dat u ueberhaupt afknapt op mijn weergave daarvan. U allen verwijs ik enthousiast naar SBS 6 of aanverwante etherpiraat; daar vindt u wellicht meer rust.
Maar ik beken, dat ook ik ernstig worstel met de opvattingen van de geniale regisseur. Ik ben het eens met zijn ideeen over de functie van kunst, welke verantwoordelijkheid dat legt bij de maker. Ik voel wel zo ongeveer aan waar de absolute menselijke waarheid in gelegen zou kunnen zijn, ik kan mij veel voorstellen bij het streven naar het goede, ik begrijp ook nog dat een ego-statement misschien wel voor mijzelf leuk is, maar de massa niets te bieden heeft. Nee, waar ik vooral op dit moment volstrekt vastloop, is hoe ik in godsnaam onzichtbaar kan blijven in wat ik maak.
Mijn handschrift mag u kennen, mijn drijfveren wil ik ook nog wel blootgeven, maar waar het gaat om mijn particuliere belangen zou ik toch zeer terughoudend moeten zijn. En dat lukt mij god-beter-het niet!
Want ook al zou ik in het dienen van mijn eigen belang louter het goede voor de mensheid voor ogen hebben, ik ben geen volstrekte altruist. Ik ben gevormd en nog merkbaar geketend door verleden en omgeving. Ik ben rijk en arm tegelijk - en van daaruit wens ik te delen dan wel te compenseren.

Maar laat ik eens een sprong in het ongwisse wagen. Laat ik mijzelf die onbeholpenheid vergeven, en me concentreren op de vragen die ik hoop te beantwoorden in de loop van mijn opleiding.
Dan heb ik het nodig, dat ik reflectie krijg op mijn motieven in mijn werk. Dan heb ik het nodig dat mijn wijze leermeesters mij uitdagen om een standpunt in te nemen ten aanzien van de verantwoordelijkheid die ik draag voor wat ik maak. Dan heb ik het nodig, dat mijn kennis en inzicht van de menselijke geest wordt uitgebreid. Dan heb ik het ook nodig dat mijn vakmanschap wordt gestimuleerd. Nu, dat laatste dat geloof ik wel op deze koninklijke opleiding. Maar de voorafgaande vragen schijnen mij toe als echo's in de duisternis.
Ik roep geinteresseerden dan ook op om zich te verdiepen in de mogelijkheden van scholing op het gebied van artistieke attitude. Jawel, attitude is naar klank al arrogant, maar in mijn opleiding tot psychotherapeut alsook in mijn werk als jurist is het toch vanzelfsprekend dat de houding die je aanneemt ten opzichte van je vak onderdeel uitmaakt van je bewustzijn.

Wat heb ik fout gedaan?
Zoals u inmiddels wel van mij gewend bent, laat ik u graag kennis nemen van mijn laatste werk. Hoewel mijn docenten het werk inspirerend noemden, met zelfs interessante schilderkundige ontwikkelingen, wil ik toch even uitspitten wat er gelet op de wijsheid van een Tarkovsky aan mankeert.
U treft een stal-tafereel aan, waarin naast de nodige dynamiek aandacht wordt gevraagd voor het centraal afgebeelde stilleven. Verder heb ik slechts dieren herkenbaar afgebeeld, dood of levend, en laat ik het aan uw fantasie over wie een dergelijke toestand heeft geregisseerd. De factor mens is slechts in uiterst perspectief waarneembaar, als zich in tegengestelde richtingen begevende condensatiesporen van vliegtuigen.
Tot zover mijn ideeen bij de totstandkoming van dit product.
Maar waar zit ik nu in de weg, waar zou ik u kunnen verhinderen om enige universele waarheid omtrent het leven alszodanig te ervaren?
Ik heb het schilderij niet bedacht, echt waar, het is als het ware gaandeweg ontstaan. Dus een conceptuele illustratie kunt u mij hopelijk niet verwijten.
Ik heb vooral de verlatenheid, de afwezigheid van een zorgzame schepper, het ontbreken van een verantwoordelijke set-manager willen afbeelden. Een in de steek gelaten janboel, een maaltijd staat klaar, maar erg uitnodigend zal het toch niet overkomen. En hier voel ik mij betrapt: ik doe een appel op u als toeschouwer, om met mij die eenzaamheid te delen, ik daag u uit om te beslissen of u van het brood en de wijn, het water en de vis zal consumeren, maar ik biedt u geen uitzicht op enige gezamenlijkheid, laat staan gezelligheid. Bovendien bedien ik mij van nogal theatrale beeldmotieven.
Strikt genomen kan dit dus, volgens het Tarkovsky-concept. Ik roep vragen op die u wellicht inspireren tot diepere gedachten over de menselijke eenzaamheid - een van de diepere menselijke waarheden die om een oplossing vraagt. Toch voel ik mij beschaamd in het gebrek aan vakmanschap, mijn theatrale aanleg, en zou ik willen wegkruipen voor de leegte in mijzelf die ik hiermee prijs heb gegeven. Ik ben bang dat ik nog teveel gebruik maak van special-effects. Waar ik sputter tegen het gore geld, weet ik dat ik niet zal bedanken als iemand een miljoen biedt voor dit werk. En ik heb ook nog geen antwoord, laat staan een vorm gevonden om de theatrale leegte te compenseren. Hier helpt op dit moment alleen de kortstondige roes van een glas wijn. Wellicht dat in beneveling de sluiers naar het waarachtige voor mijn waarheid willen wijken.

In vino veritas,

uw kather

zondag 21 maart 2010

studium generale; birgit meyer en goed en kwaad







Birgit Meyer vertelt over een wel heel specifiek aspect van de beeldende kunst: horrorfilms uit met name Ghana. Ze vertelt over de achtergronden van Ghanese films: moreel van karakter, gebaseerd op het dagelijks leven en met de intentie de inheemse goden te demoniseren ten gunste van de heersende leer van de Pinksterkerk.

Een aantal thema's kunnen worden onderscheiden: misbruik en sexualiteit, de strijd tussen goed en kwaad, vruchtbaarheid, rijkdom, de transformatie van mens naar dier en vice versa, het samengaan van angst en plezier.
Ze toont een aantal fragmenten, die voor onze verwende westerse blik een naief, aandoenlijk beeld oproepen. Special effects die ik met mijn Nikon-gadget zo zou kunnen nabootsen, de overdreven mimiek van acteurs - alsof het spelen een doel op zich is geworden, het trage tempo wat ons eraan zou kunnen herinneren dat niet alle vermaak zo vlug als mogelijk tot een uitgeslingerd hoogtepunt zou moeten leiden. Kleurrijke posters die de bevolking naar de zaaltjes en kerken moeten lokken om eens lekker te griezelen.

Ik heb een groot respect voor de manier waarop Birgit vertelt: zonder enig oordeel, met empathie, met de wijsheid van achtergrondkennis.

En daar zaten we dan, na afloop van de lezing. Bescheten aan de borrel, aan een gedekte tafel in de kantine, ons af te scheiden van de rest. En vooral: te zoeken naar predikaten die het getoonde voldoende konden kwalificeren om je er machtig over te voelen, maar die chique genoeg bleven om politiek correct te zijn.
Ik noteer: een achterlijke cultuur, kleuterschool werk, moeilijk om er wat over te zeggen (de lafbekken waren ook vertegenwoordigd).

Wat moet ik hier nu mee? Allereerst maar bekennen, dat ik zelf hard heb meegedaan aan het kapittelen van andersdoenden. Dat ik het zelfs aangezwengeld heb. Maar een mea culpa volstaat niet. Ik wil meer weten over de strijd tussen goed en kwaad, de tendensen in de menselijke geest die de wereldbevolking wenst te splijten in twee kampen, de kwetsbaarheid van degenen die zich tonen voor het aangezicht van de zelfverkozen upper-dogs en de relatie die dat alles kan hebben voor de erkenning van kunst.Volgen slechts enige zwart-wit schetsen om de gedachten te ordenen.

Goed en kwaad, het is waarschijnlijk uitgevonden door dezelfde God die achter het ontstaan van het bestaan zit. Filosofen, psychologen, politici en onderwijskundigen hebben zich over het onderscheid gebogen, maar tot een eensluidende opvatting, noch inhoudelijk, noch strategisch, is het nooit gekomen.

Nietsche is de belangrijkste woordvoerder van de afschaffing van de moraal, voorzover zij op de macht van enkelen berust. Hij vindt het goede vooral in de ontwikkeling van de door hem veronderstelde oorspronkelijke kracht van de mens. Zwakheid, met name zoals in zijn ogen gepropageerd door het Christendom, is verfoeilijk en leidt tot de omkering van een natuurlijke constellatie. Door het lijden van Jezus werd zwakte troef, konden minderbedeelden zich omgekeerd superieur voelen aan hen die een sterke fysieke en mentale ontwikkeling hadden mogen doormaken. Deze omkering wijst Nietsche ten enenmale af; een moraal die erop gericht is om macht te verschaffen, en dan ook nog tegen de door hem veronderstelde natuurlijke neiging van de mens om voroal sterk te zijn in, moest afgeworpen worden.

Volgens Kant zit het weer net anders in elkaar. Hij gaat uit van een intrinsieke waardigheid van de mens, die hij als ware het een wet maar te volgen heeft. Of dat nou leuk is of niet.

Hegel op zijn beurt, moet hier weer niets van hebben en stelt, dat het met de mensheid volledig uit de klauwen loopt als het aan het individu wordt overgelaten om het goede van het kwade te scheiden. Wat wij nodig hebben is een zedelijkheid die de belangen van de gemeenschap kan dienen.

En hoe gaat de Pinksterkerk, die de moraal in Ghana beheert, met deze kwestie om? De vraag is relevant, omdat juist in de films die dit land voortbrengt, een geest van het goede over het kwade bedoeld is te zegevieren. Volgens de aanhangers van de Pinksterkerk is het allemaal begonnen met de zondeval: niet een grove overtreding van allerlei veiligheidsbepalingen zoals te vinden in de tien geboden, maar het simpelweg niet luitsteren naar God leidde tot de sterfelijkheid van de mens. Het goede is dus te vinden door naar God te luisteren en het vooral niet zelf te gaan uitvinden. Hoe God tot ons komt is echter niet zo'n eenvoudige zaak - de uitstorting van de heilige geest valt ons nu nog maar zelden ten deel.

Een sypathieke joodse rabbijn (Harald Kushner) openbaart zijn worsteling met goed en kwaad in een boekje getiteld Als het kwaad goede mensen treft.
Hij zoekt een antwoord op alle kwaad door God niet verantwoordelijk te stellen voor dat kwaad, maar hem uitsluitend als antwoord op het kwaad aan te wijzen. Hij is in zijn beleving niet een verantwoordelijke, almachtige schepper, maar een medelijdend wezen dat ons helpt in onze ellende.

En ook van deze redenering hebben weer anderen gehakt gemaakt. Buddhisten streven verlichting na door kortgezegd af te zien van ieder streven, maar ook dat is een staat van zijn die we maar zelden onder gewone stervelingen tegenkomen. Kortom, we komen er met zijn allen, na eeuwen denken, toch niet goed uit.

Laat staan dat ik er nu hier in mijn eentje een richting aan zou kunnen geven. Ik hou het daarom voor het moment maar dicht bij huis: wat gaf mij het recht om mij te verheffen boven de cultuur van een ander continent, me nog wel verschuilend achter de zogenaamde verworvenheden van een vijandige westerse wereld.
Niets. Een vals gevoel van saamhorigheid wellicht. Achteraf kan ik zeggen, dat ik mij mijn misstap realiseerde en erop terug wens te komen.

Ik kreeg dezelfde week een koekje van eigen deeg. Het in mijn vorige blog aan u getoonde werk werd tot onder het maaiveld geschoffeld, door een kenner die meende meer verstand van zaken te hebben dan ik. Ik was goed fout bezig geweest - het idee, de opbouw, de definitie, het glacis, niets deugde.

Erbarmelijke conclusie is dan ook, dat we allemaal in hetzelfde vervallen. Dat er altijd wel aanleidingen en argumenten zijn om ons beter te voelen dan een ander. Dat we allemaal opgescheept zitten met een ego dat ons verblindt door de euforie van overheersing, hoe kortstondig dan ook.

En daarbij spreek ik de hoop uit, dat we allemaal een bewustzijn kunnen verwerven dat ons behoedt voor al te vijandige gedragingen tegenover degenen die net zo hard met goed en kwaad worstelen als wijzelf.

Tot wat voor een verbeelding deze ijdele gedachten hebben geleid, toon ik u bijgaand. Geinspireerd door mijn favoriete artiest, Mark Rothko, kwam ik tot een aantal abstracten, waarin ik kleur heb willen laten spreken. Van zwart tot wit. Of u het goed of slecht vindt, kunt u hopelijk bepalen zonder een schuilplaats te zoeken bij kunstige wijsgeren die u zijn voorgegaan in de strijd. Ik deel met u slechts het gevecht, dat kleur tot resultaat had.

Alle goeds,

uw kather