welcome

DIS DEABUS GRATIA







feel free to enjoy



feel free to react















vrijdag 24 december 2010

galerij der overledenen - de kerstgedachte







In deez' donkere, wit-gedekte dagen wil ik u kennis laten nemen van enige diepzinnige kerstgedachten. Uiteraard omgezet in 2d-beeld.


Een goede bekomst,

uw kather

dinsdag 14 december 2010

J.W.Waterhouse; wat vrijheid vermag...
























In een eerder blog toonde ik u al De Magische Cirkel, een schilderij dat Waterhouse maakte in 1886 (zie foto twee blogs geleden).

Ik sta nu opnieuw stil bij dit doek, omdat het eveneens de heks Circe verbeeldt en omdat het dusdanig afweek van de toen op de Academie heersende canon, dat het voor nogal wat onrust zorgde.
Wat is namelijk het geval? Waterhouse had bij het schilderen van deze Circe gebruik gemaakt van platte penselen, een handelswijze die hij had afgekeken van bijvoorbeeld de franse schilder Bastien-Lepage (foto 2). Dunne, vloeibare verf werd kennelijk snel op het doek aangebracht, met de bedoeling om een spontane en levendige indruk te wekken bij de toeschouwerd. Maar zoals u natuurlijk al op uw kouwe klompen aan voelt komen, werd op deze techniek nogal neergekeken door de Engelse Academies. Precisie en vakmanschap, dat was je ware! En volgens sommigen heerste er een xenofobe angst voor elke buitenlandse nieuwlichterij.

Maar wat is nu zo opmerkelijk ten aanzien van De Magische Cirkel? Het doek werd ondanks de verwachting van vlijmscherpe kritieken toch goed ontvangen. Sterker nog: het werd aangekocht door een chique gezelscap, de beheerders van het Chantrey-legaat, die meenden dat het schilderij een plaats had verdiend in de nationale collectie. Daar ga je dan met je nobele principes! De deur naar impressionistische tendensen is gevaarlijk open gezet. In de achtergrond zien we namelijk dat Waterhouse gebruik maakt van doffe tonen en dat vorm oplost in kleur, een kenmerk dat we bij het impressionisme ook ruimschoots aantreffen. Nog even en we tuimelen in de afgrond van ketterse, heidense goddeloosheid en zijn onze trots geconserveerde tradities verkwanseld...

Is het daarom zo slim dat Waterhouse voor magische onderwerpen kiest? Twee jaar later schildert hij zijn bekendste schilderij: De Vrouwe van Shalot (foto 3). Op dit doek verbeeldt Waterhouse het gedicht van Tennyson, dat zo'n vijftig jaar eerder was uitgekomen. Door de veranderingen in de strenge Victoriaanse maatschappij, was er in Engeland een opkomende belangstellling voor ridderverhalen. Het verhaal van de Vrouwe van Shalot (jonkvrouw zit in toren; mag alleen via spiegel naar buiten kijken; ziet Lancelot, wordt verliefd, kijkt toch; oeps; moet dus dood) geeft de spanning aan waarin zich emanciperende vrouwen bevonden: tussen puriteinse beheersing van lichaam en geest en de noodzaak om aan natuurlijke driften toe te geven. Vertaald naar het schilderkunstig discours leverde dit een strijd op tussen de academische schilders en de vrijdenkers die meer verhalend en geengageerd wensten te werken.

Waterhouse weet met zijn mythische taferelen zijn publiek indertijd daadwerkelijk te betoveren; hij oogst waardering waar anderen zeker verguisd zouden zijn geweest. En door de onconventionele manier van schilderen van de achtergrond, maar ook van het kleed van Circe, vestigt hij de aandacht op het eigenlijke onderwerp: de dramatiek van de heks die de wereld ik weet niet wat aandoet haar magische gebaren.

Nou moet mij persoonlijk van het hart, dat ik meestal niet zo onder de indruk ben van stennis in schildersland. De hele kunstgeschiedenis door denken een aantal vooraanstaande schreeuwerds, dat we met schokkend nieuwe ontwikkelingen te maken hebben, dat de wereld nooit meer zou zijn als voor de geboorte van het laatste, nieuwe, al het overige overbodig makende product van een niets-vermoedende verfmengerd uit een of ander achteraf-tijdperk. Ha! Wie denken ze wel niet dat ze zijn! Of, mea culpa, wie denk ik wel niet dat ik ben.
Welnu, ik noem u wat voorbeelden. Voorbeelden van vervloekte bedreiging van de gevestigde orde, tevens ingehaald als hemels manna der vernieuwing. Let op.
Zo is daar in onze vaderlandse kunstgeschiedenis ene heer Hals. Waaghals, als het gaat om penseelvoering, compositie, uitdrukking, symboliek. De rederijkers waren met zijn allen not amused (foto 1). Hals nam de vrijheid, en naar mate hij ouder werd ging hij daarin steeds verder, om af te zien van de manieristische schilderstijl van voor de barok. Hij streefde naar meer beweeglijkheid en vervorming dan tot dan toe formeel was erkend als zijnde kunstzinnig. Toch goed gelukt, nietwaar?
Een willekeurige sprong in de tijd, doet mij denken aan vroeg-abstracte beelden zoals de Venus van Willendorf. Wellicht tot inspiratie geweest van een Rubens, een Wolkers, een Botero, een van der Leeden? Maar toen was er geen elite, die het zich kon permiteren om er publiekelijk schande van te spreken als er bijvoorbeeld een borst zou worden vervangen door een voetbal. Nog even afgezien van het feit, dat voetballen toen nog niet waren uitgevonden.

Wat ik hiermee wil zeggen, is dat ik het mij op dit moment permiteer om een kanttekening te plaatsen bij de zelf-overtuiging van de geachte dames en heren kunstcritici en canonisten. Heeft er nou werkelijk niemand van dat hele clubje door, dat ze zichzelf al eeuwen gruwelijk aan het herhalen zijn, en dat waarschijnlijk ook nog eeuwen zullen doen.
Wacht effe. "En dat waarschijnlijk ook nog eeuwen zullen doen"?? Dus ook ik moet na vier, vijf volzinnen constateren dat er gewoon geen reet aan te doen is. Fok. Nou, als jullie dan in ieder geval mijn producten maar ergens tussen hemel en hel plaatsen, dames en heren kunstkritisch publiek, en als jullie daarbij ook nog heel veel willen betalen voor wat ik gemaakt heb, of in ieder geval anderen zo beinvloeden dat zij dat gaan doen, dan zullen jullie mij niet meer horen mekkeren. Afgesproken?
Daarom toon ik bijgaand alvast twee van mijn nieuwste creaties, die ik bij deze beschikbaar stel voor de markt. Het betreft mijn reactie op de toewijzing van het WK voetbal in 2000 en nog wat.
Als u mijn rekeningnummer nodig heeft, hoor ik dat graag.


Met de meeste hoogachting,

uw kather





vrijdag 19 november 2010

J.W.Waterhouse











Wiens dochter ik ben weet ik niet. Ik kan zijn van Hekate, maar ik ben te zeer verdwaald om haar met zekerheid mijn moeder te noemen.

Mijn vader zou Helios zijn. Maar ook zijn aandeel in mijn bestaan is twijfelachtig, omdat ik mij al te zeer met duisternis verbonden voel.


Ik kan u ook niet zeggen waardoor ik mij meer en meer overgaf aan de kracht van het kwade. Jawel, teleurstelling wekte uiteindelijk mijn woede, mijn niet te stuiten razernij. Toch kan ik dat niet rijmen met mijn goddelijke afkomst, mijn magisch bestaan. Zo aards ben ik toch niet!

Ik moet het toegeven: hunkerend naar verbondenheid, naar een alles verklarende, alles omvattende verhouding der dingen, zocht ik de liefde bij aardse mannen. Spijt heb ik niet. Maar wat het mij gebracht heeft is de sleutel van de kamer waar het gif, waar de gal en de haat hoog opgetast liggen.

Ik zal u vertellen hoe het mij vergaan is.
Odysseus voer langs mijn land in de zee. Aeaeia rilde onder de zware golven die de vloot op mijn kust teweeg bracht. Ik stak mijn neus in de wind en snoof de steeds sterker wordende flarden van muskus op. Mijn hart kneep samen, mijn brein strekte zich als bereidde het zich voor op de val die ik zou gaan zetten. En onder mijn buik kondigde klokgelui de intocht van vers vlees aan.
De ploert Eurylochos ging op bevel van Odysseus aan land. Verkenners bereikten mijn hol, en troffen het vuur nog half smeulend onder een everbig.
Met een royaal gebaar overtuigde ik hen van mijn gastvrijheid. En met de gulzigheid waarmee ze mijn wijn dronken veranderde ik hen in de varkens die ze al waren. De ploert had me door! Hij waarschuwde zijn leider en samen dwongen zij mij om ongedaan te maken wat ik had aangericht. Hermes heeft hen geholpen; hem krijg ik nog wel. Ze feestten nog een jaar bij mij, maar zwanger werd ik er niet van. Ik spuugde ze uit op het strand en zag ze met lede ogen vertrekken. Ik was weer alleen.

Tot Picus mij riep, om gebruik te maken van mijn gaven. De koning van Ausonie had zijn oog laten vallen op Canes. Die domme nymph met haar verduivelde gezang. Hij vroeg mij hoe het met haar aan te leggen. Ik viel voor de wanhoop in zijn ogen, het verlangen in zijn stem. Mij zul je dienen, mij zul je toebehoren, wees ik hem aan, maar hij weigerde. Godverdomme, hij weigerde! Een specht zul je dan zijn, een specht die zijn leven lang met zijn kop moet slaan om onderdak te vinden. Gek zul je worden, van je eigen lawaai en de pijn in je hoofd. Maar Picus' vrienden kwamen hem te hulp. Zij dwongen mij de waarheid prijs te geven, maar kenden mij niet goed genoeg. Ik veranderde allen in beesten, druipend van gif, badend in het zweet van de bijslaap.
Over Canens kan ik kort zijn: zij stierf aan de Tiber terwijl zij haar laatste gezang uitstiet. Zelf bleef ik alleen achter.

Ook Glaucus dacht ongestraft van mijn macht te profiteren. Hij verloor zich in Scylla, de hoer van de zeestraat. Ik wil je hebben, ik, met mijn goddelijke lijf, mijn grootse brein. Maar je luisterde niet, je dacht dat je het beter wist, je dacht je eigen gang te kunnen gaan. Was je in onschuld, schoft, ik verander je wijf in een hond met zes koppen. Nee! Een vis zal ze zijn, met een slijmerige staart. En rijen met vlijmscherpe tanden gun ik haar, zodat ze je tong zal rafelen als je de zure honing in haar mond likt. En dus goot ik het gif in de baadplaats van Scylla. Tot het einde der dagen zal zij schepen misleiden, samen met haar gulzige zus Charybdis. Tot het einde der dag zal ik mijn eenzaamheid lijden.

Waterhouse heeft naar alle waarschijnlijkheid de laatste variant van de mythologische vertellingen over Circe gebruikt als inspiratie voor zijn schilderij Circe Individuosa, zie foto. Hij was gebiologeerd door de vrouwelijke sexualiteit. In de tijd dat hij dit schilderij maakte (1892), was sprake van een groeiend zelfbewustzijn bij vrouwen. De mannelijke suprematie was niet langer vanzelfsprekend. Met de nieuwe eisen die vrouwen gingen stellen, bijvoorbeeld een bevredigend sexleven, werden veel mannen in verlegenheid gebracht. De spanning die dit bij Waterhouse heeft opgeroepen is ook terug te vinden in doeken zoals De Sirene, 1900 en Odysseus en de sirenen, 1891. (zie foto's)

Op het doek De Sirene geeft Waterhouse zijn eigen dubbelzinnige houding tegenover de groeiende vrouwelijke autonomie prijs. We zien een gespierde man, die ten prooi lijkt te zijn gevallen aan een sirene. Maar zij zingt niet: zelfs haar blik kon al dodelijk zijn. En bovendien heeft de getoonde macho ook een aantal voor die tijd vrouwelijke kwaliteiten: een oorbel en lang golvend haar. Verder valt op dat de suggestie van een scheepsramp wordt gewekt met de half vergane mast, maar de zee is nogal kalm. Kortom: Waterhouse koos de enige juiste weg voor zijn vertwijfeling: een prachtig schilderij.

In het schilderij Odysseus en de sirenen laat Waterhouse zien hoe de zeeheld Odysseus de dodelijke lokroep van de sirenden weet te weerstaan. Hij laat de bemanning was in hun oren doen, en laat zichzelf vastbinden aan de mast, zodat de sirenen in hun kwade bedoelingen nutteloos zullen zijn. Het verhaal wil echter, dat het de heks Circe is die Odysseus van deze wijsheid voorziet. Door eerst het doek Odysseus en de sirenen te schilderen in 1891 en een jaar later Circe Individuosa, legt de schilder een verband tussen de twee schilderijen. Hij geeft daarmee prijs dat hij de kracht en de macht van vrouwen hoog acht en dat zij hem inspireren tot vakmanschap. Een vakmanschap dat hij op ander vlak wellicht te kort gekomen kan zijn...

Omdat ik zelf natuurlijk ook ruimschoots nadenk over het tekortschietende mannelijk vermogen, deel ik graag met u mijn nieuwste geval. Het betreft hier een soort van schutterstuk (geschutter, u kent dat wel), dat is geinspireerd op een aantal grote rennaissance schilders. Net als bij Waterhouse verbind ik erotiek, water en dood met elkaar. Maar veel meer wil ik er toch niet over kwijt. U ziet zelf maar. Overigens meet het doek 150 x 200. Ik onderzoek momenteel het grotere formaat. Niet dat dat iets speciaals zou betekenen, of zo.

Tot zover; wordt vervolgd.


uw kather

zaterdag 6 november 2010

J.W.Waterhouse











Na enige radiostilte pak ik de draad weer op. Om me te wijden aan een opdracht voor kunstgeschiedenis: herinterpreteer een meesterwerk uit de 20e eeuw.

Tijdens de les vernam ik dat de tijdsmarges ruim zijn: eind 19e eeuw mag ook.
In eerste instantie koos ik voor Psyche opent het gouden kistje, van J.W. Waterhouse (1849 - 1917). Eigenlijk is dat niet mijn favoriete werk van Waterhouse, maar het doek is wel van na 1900. Omdat ik kennelijk wat verder mag kijken dan de strikte aanwijzingen in de titel van de opdracht, kies ik nu liever voor Circe Individiosa: Circe giet gif in de zee, uit 1892.
Het lange, verticale formaat spreekt mij aan. Het benadrukt volgens kenners het boosaardige karakter van de heks Circe. Ook het verhaal zelf vind ik boeiend: een zeegod weigert zijn geliefde te verlaten en wekt daarmee de woede van Circe. Hoe valser hoe beter, denk ik dan. In ieder geval ik beeldende zin.

Wat mij namelijk aan Waterhouse opvalt, is dat zijn portretten weliswaar een fenomenale techniek verraden en een breed, rijk kleurenpalet tonen, maar desondanks opvallend gelijkvormig zijn. Zie afbeelding: De Decamarone, 1916.
Nu hoeft dat op zich geen belemmering te zijn om een schilder te waarderen - we doen ten slotte allemaal toch zoveel mogelijk waar we goed in zijn. Maar waar het mij hier om gaat, is dat Waterhouse uiterst beperkt van minime aanwijzingen voor een onderliggende gevoelswereld van zijn vrouwen gebruik maakt. Aanmatigend, ik weet het. Toch wil ik me wagen aan een herinterpretatie, waarbij ik de ambitie heb om de bedoelde minimal cues voor een geestesgesteldheid te onderzoeken en te tonen.
Natuurlijk: Waterhouse legt een sterke dramatiek en spanning in zijn werk. Dat hij zich daarmee terecht onderscheid als meester van zijn tijd waag ik niet ter discussie te stellen. Het gaat mij meer om de inpassing van deze meester in het leertraject dat ik voor mijzelf heb bedacht: ontwikkelen van voldoende technische vaardigheden om minimal cues tot uitddrukking te kunnen brengen, met als achterliggend doel om transities of overgangen in een menselijk bestaan te belichten.

Waarom nu juist Waterhouse, een lange tijd vergeten schilder uit het eind van de 19e en begin van de 20e eeuw?
Wat is er dan zo meesterlijk aan zijn werken dat het een copy en een herinterpretatie conform de opdracht rechtvaardigt?
Allereerst merk ik op, dat de schilder bekend stond om zijn boeiende, theatrale uitstraling van zijn doeken, zijn betrokkenheid bij belangrijke onderwerpen uit zijn tijd en zijn uitmuntende vakmanschap. Een meester dus. Daarnaast wordt hij gekenmerkt als pre-rafaeliet. Deze groep schilders streefde naar een breuk met de academische regels. Zij besteedden veel aandacht aan natuurgetrouwe weergave van details, gebruikten levendige kleuren, en bestudeerden onder meer literaire onderwerpen. Voila: een club om van te likkebaarden. Ook mij word wel verweten dat ik literair te werk ga in mijn prenten. En hoewel ik nu nog gehinderd word door een relatief ernstig gebrek aan techniek, ben ik zonder meer bereid om mij wat kunsten eigen te maken. Ik klim bij voorkeur graag op de schouders van degenen die een zuiverheid van weergave, idee, palet en relevantie nastreefden. Als ze nog zouden leven, zouden ze me waarschijnlijk uitlachen, maar dat kan mij niet schelen.
Waar de prerafaelieten bijvoorbeeld een nauwe associatie legden tussen water, vrouwen en verdrinking, ben ik met dezelfde associaties aan de haal gegaan in bijgaand getoonde werken van recente datum. Ik hoop van harte dat de kijker enig begrip kan opbrengen voor de moeite die ik heb gedaan om minimal cues in te vliegen. Ik hoop eveneens van harte dat de lezer van dit alles de humor kan inzien.

Wat was er dan zo vernieuwend aan het werk van Waterhouse dat hij kennelijk nu nog de moeite van het volgen waard is?
Zoals gezegd wordt Waterhouse wel ingedeeld bij de pre-rafaelieten, en wel de tweede lichting. Deze schilders wierpen de academische regels, die zij verbonden met de renaissance-schilder Rafael, van zich af. Zij zochten het goddelijke in de schilderkunst door zich toe te leggen op zuivere, natuurlijke waarneming. Een dergelijke houding is niet nieuw, zoals zo vaak herhaalt de geschiedenis zich ook in dit opzicht. Ironisch genoeg kan zelfs van de academisten gezegd worden, dat zij zochten naar de meest zuivere waarneming en dat zij inspiratie vonden in de grote verhalen uit de geschiedenis.
Het nieuwe van Waterhouse wordt wel gezocht in het feit, dat hij in afwijking van de pre-rafaelieten niet de nauwgezette schildertechniek toepaste, maar juist aansluiting zocht bij de Franse schilderkunst uit die tijd, met een veel lossere toets. Zie afbeelding van De magische cirkel, 1886. Hier is de losse manier van schilderen goed te zien. Heel concreet werd deze manier van schilderen bereikt door het gebruik van een platte kwast; een techniek die overgenomen was van de Franse schilders. Hoe grappig, dat de Londonse Royal Academy of Art het gebruik van dergelijke kwasten absoluut not done vond.

Tot zover mijn eerste bespiegelingen op weg naar een nader onderzoek van Waterhouse. Graag tot later!

uw kather

woensdag 19 mei 2010

studium generale; eat love











Eerst een voordracht van Sanne Tienhoven (schrijf ik dit zo goed?) over de film Birds van Hitchcock. Onderbuik gevoelens, emoties worden in deze film niet zozeer door de spelers getoond, als wel door zwermen aanvallende vogels. En wat gebeurt er als je die vogels weglaat? In een bewerking van een kunstenaar (naam vergeten) zie je dan het effect van zich door een onzichtbare kracht bedreigd voelende mensen. Wordt er wel een stuk spannender van; je wordt meer op je eigen fantasie en onbewust gevoelde dreigingen teruggeworpen.

Dan een lezing van Louise Schouwenburg over het werk van Marije Vogelzang, een jonge kunstenaar die zich toelegt op het ontwerpen van maaltijden en hapjes. Ze heeft altijd van tevoren onderzoek gedaan naar het statement dat ze wil maken en wil aldus een boodschap overbrengen die het bewustzijn stimuleert. Bijvoorbeeld cakejes in laagjes die een samenhang vertonen met bodemverontreiniging. Enkele thema's uit haar werk: recycling, maatschappij kritiek, overvloed, voedsel als troost.

Bekruipt mij toch een gevoel van decadentie bij het zien van het gebruik van eten als middel om een boodschap over te brengen. Bovendien vond ik de voedselobjecten lang niet altijd mooi of kunstzinnig. Een filmpje over het Spaanse restaurant El Bulli, naar zeggen het beste restaurant ter wereld, liet meer artistieke hoogstandjes zien, zie foto's.

Vooraleerst kunnen we constateren dat er een verband is tussen emoties en eten. Emotioneel eten is te herkennen aan een snel opkomende trek, die geen uitstel verdraagt. Er gaat een teleurstelling of emotionele prikkel aan vooraf. De trek is specifiek, men gaat op zoek naar speciale smaaksensaties, en onbewust blijft men door eten. Dit soort eten tot je nemen eindigt meestal met een schuldgevoel, dat weer afgekocht kan worden met een nieuwe emotionele eetbui. Emotioneel eten heeft dus ook een cyclisch aspect.

Maar nu de relatie tussen kunst, emoties en eten. Ik heb er een fundmenteel bezwaar tegen om echt voedsel voor een artistieke boodschap te gebruiken. We kunnen ons niet verschuilen voor de ongelijke schaarste verdeling op de wereld en de problemen die globalisering veroorzaakt. Om dan uit communicatie-overwegingen gebruik te maken van het medium voedsel vind ik oneigenlijk en ongepast. Dergelijke kunst roept bij mij emoties van weerzin op - zie daar een wellicht niet beoogd resultaat van artistiek toegepaste voeding.

Ik heb er geen moeite mee als kunstenaars voedsel nabootsen om iets duidelijk te maken.
Zo heeft Dolores Zorregeuita (de zus van) in Amsterdam een keer geexposeerd met een serie hangende rollades die uitermate knap waren nagebootst. Bij mij roept dat een ontzag op voor de technische vaardigheden van de maker, en vanuit dat ontzag ben ik eerder geneigd om de boodschap te achterhalen. Ik wordt niet zomaar met worst geconfronteerd, ik word met het concept "worst" geconfronteerd, en moet dan vrijwel automatisch nagaan wat dat te betekenen heeft.
Maar dan nu de inpassing van voedsel-kunst in het thema van studium generale. Hoe zorgt dergelijke kunst voor verwaring omtrent de relatie kunst en emotie?
Afegzien van de hierboven genoemde weerslag op mijn gemoed, komt eerst in mij op dat letterlijk kunst uit voedingsmiddelen eerder vanuit een concept gemaakt lijkt te zijn, dus vanuit het oogmerk een bepaald idee uit te dragen, dan een beroep te doen op een gevoel. Zou het concept aanleiding geven tot gevoelens, dan lijken dat eerder zij-effecten dan centrale doelstellingen. In die zin zorgt real-food-art dus niet voor verwarring rondom kunst en emoties, maar kan zij op zich wel sterke emoties oproepen. In mijn geval dus weerzin.

De kunst-eten-kunst dan? Voorzover deze tak van sport erop uit is om een appel te doen op emoties, liggen daar wijd gapend de vele valkuilen open die er rondom kunst en het grote gevoel schijnen te bestaan. Kunst mag namelijk niet vooral uit gevoel ontstaan en mag er niet uitsluitend aan appeleren. Wij staan de concept-kunst voor, om niet achter te lopen op de rest en om ons te onderscheiden van al onze voorgangers. Een soort manierisme dus, die concept-kunst want hier en daar slaat deze benadering natuurlijk volledig door (zie foto).

Tot zover enige bedenkingen. Wat ik veel belangrijker vind, is dat kunst vanuit een passie, een authentiek gevoel bij de maker is ontstaan. Als ik kenners mag geloven, werkt zij dan aanstekelijk (o.m. de Ridder) en weet zij vanzelf te overtuigen.
De worsten van Zorregeuita bijvoorbeeld, ik vind ze overtuigend.
Ars non indulet fames.
uw kather

dinsdag 18 mei 2010

studium generale; het spelende kind


Willem de Ridder en Bart de Baets staan op het programma. Beiden lekker aan het pielen, en zo op een afstand gezien daar enorm van genietend. Dat wil ik ook!

Met name de Ridder spreekt tot mijn verbeelding. Ontdekte al vroeg dat hij liever speelt, dan zich voegt naar conventies, en is aan die basis-programmering trouw gebleven. Zonder zich ooit zorgen te hoeven maken over zijn voortbestaan in economische zin. Knap, he? Zo zouden er meer moeten zijn.


De Ridder ("U?! Nee, jij, of dan maar joe!" toen ik hem aansprak) verhaalt over de linker en rechter hersenhelft. Hoe rechts van nature zich ontwikkelde (beelden, gevoelens, sferen, intuitie, klank, kleur - vrouwelijk) en links later de macht overnam (agressie, jagen, verklaren, ondernemen, straffen - lineair, mannelijk).

Ook de kunst, van oorsprong gezeteld in de rechter hemisfeer, want beeldend, creatief, intuitief, appellerend aan gevoelens, werd overmeesterd door deze dychotomie in denken. Kunst moet aan regels voldoen! Of het nu de regels zijn van kerkvorsten of andere notabelen, of het nu de moderne richtlijnen voor beoordelingen op de academies betreft: gij zult zich voegen. De Ridder besloot wijs dat hij daar geen zin in had, en verklaart dat hij een leven lang zijn passie is blijven volgen. Zodra het hem te benauwd werd, ging hij gewoon iets anders creatiefs, gepassioneerds doen. En heeft daar wereldwijd naam mee gemaakt, is daar globaal voor erkend. Wat een rijkdom!

Dat zie ik mij nog niet zo snel overkomen. Ten eerst kom ik uit een cultuur waarin het stijle denken de voorkeur genoot. Hoewel, de voorkeur genoot? Nee: voorgeschreven was, verplicht was, leidde tot narekenbare sommetjes die zich uitdrukten in cijfers op een rapport. Tuurlijk was ik trots toen ik de magische grens van 100 tienen doorbrak, en natuurlijk was ik stemmig tevreden toen ik met een royale acht afstudeerde (dit is geen arrogantie, dit is nog steeds de kinderlijke verbazing die ik altijd gevoeld heb dat je het goed kunt doen als je aan bepaalde getalswaarden voldoet). Maar ik bleef toch gevangen in een jarenlang conflict tussen wat ik kon en wat ik leuk vond. Met een ernstige depressie als diep hoogtepunt tot gevolg.

Voor alle duidelijkheid: hier passen geen verwijten. Niet aan mijn opvoeders, niet aan allen die mede mij gevormd hebben. Ik heb geleerd, heb mij binnen mijn mogelijkheden ontwikkeld en ben in staat geweest om uiteindelijk een keus te maken die het genoemde conflict lijkt te beslechten.

Lijkt te beslechten, want na een jaar Koninklijke ben ik tot het trieststemmende inzicht gekomen, dat ik ook hier aan allerlei regels heb te voldoen. Ik propageer hier niet een oeverloos anarchisme; ook ik hecht aan structuur, omgangsvormen, zekerheden en zelfs de rechtlijningheid van linksdraaiende hersencellen. Filosoferen is veel te leuk, al is het half lazarus met vrienden op een morsige bank.

De regels waar ik op doel, zijn die onuitgesproken maar ook zwart-op-wit voorschriften die mijn passie smoren. Regels zoals: gij zult uw dummy bijhouden, gij zult uw werk kunnen toelichten, gij zult niet teveel (hoeveel?!) in uw werk stoppen, gij zult wikken en wegen en bewust besluiten, gij zult uw intuitie niet in uw kunst leggen, gij zult concepten vergaren, gij zult aan deadlines voldoen, gij zult bewaken, begrenzen, begrijpen.

Nu snap ik natuurlijk best wel, dat een aantal van deze heilige moetens mij zullen stimuleren in mijn ontwikkeling. Ook zie ik kansen om hier spelenderwijs mee om te gaan.

Maar ik voel me er zo godvergeten kwetsbaar in, dat ik soms niet eens durf te laten zien wat ik nu weer geproduceerd heb. Ik voel me een kleuter in een wereld van wijze leraren, gevestigde artiesten. Ik voel mij vaak te angstig om enige ambitie na te jagen.

Gelukkig heb ik naast die linkerkant in mijn hoofd ook nog een klein kwabje rechterflank. Die sleept me er de komende jaren hopelijk wel doorheen. Want ik vind het nog steeds het leukste wat ik kan bedenken: kunst studeren.

Of me dat ooit wat op gaat leveren weet ik niet. Ik vertrouw maar op goeroes als de Ridder, die er uiteindelijk een huis in Saint Tropez op na konden houden.

Tot slot: mijn lieve zus heeft recent een praktijk voor voedingsadvies geopend. Een heerlijke speeltuin voor zij die met hun lijf aan de slag willen. Ze huist in Waddinxveen, trefwoord "De Gouwe Appel". Moet u zeker gaan doen! Is leuk en ook nog heel gezond, en bovendien hangen er ook hele speelse etsen aan de muur. Van mij dus. Leuk, toch? U mag alvast even meekijken, onder de voorwaarde dat u zich massaal aanmeldt.


In ludo libertas.


Uw kather

studium generale; trage emotie
















Nadenkend over het thema van deze lezing, vraag ik mij af of er zoiets bestaat als een trage emotie. In mijn eigen ervaring kan het zo zijn dat ik niet onmiddellijk bewust heb wat ik voel of gewaarword, maar dat ik iets voel is met de snelheid van het licht duidelijk. Kan zijn dat ik weerstand heb bij hetgeen zich aan mij openbaart, kan zijn dat ik de woorden nog niet kan vinden voor wat ik ervaar, maar ik kan er nooit onderuit dat ik iets ervaar.

Wat zou dan de noodzaak kunnen zijn om een kunstproduct over generaties heen te willen tillen? Dus niet de noodzaak om over generaties heengetilde kunstwerken te conserveren; ik bedoel: de oude meesters hebben hun plek verdiend in de cyclus van eeuwig leven. Nee, wat is de zin van een artistieke intentie om zo lang als technisch mogelijk onder de mensen te blijven?

Ik ga er op grond van eigen ervaring vanuit dat de kijkert zijn gevoel al op t-nul in de gaten heeft. Dus hopen op een verlenging van bereidheid om te blijven voelen is volgens mij zinloos. Dat gevoel is er of het is er niet; verder weinig opties om publiek te beinvloeden.

Zou de goegemeente dan een herhaalde blootstelling nodig hebben om zich bewust te kunnen worden van hetgeen ervaren wordt, zodat die goegemeente zich kan verheffen tot een hoger plan? Ik geloof niet dat werkstukken die niet onmiddellijk tot de verbeelding hebben gesproken - al is het maar van een enkeling - meer diepgang en bezinning kunnen bewerkstelligen naarmate zij de tand des tijds duurzamer doorstaan. Bovendien: als die verbeelding eenmaal is aangeboord, blijft zij een autonome rol spelen in de fantasie van diens eigenaars. Sommigen zullen terugkeren en nogmaals het werk willen zien, maar de interactie met het kunststuk is al bij de eerste blik in gang gezet. Terugkeren is meer de slagroom op de taart, de kak op de pleebril (dit laatste als de aanblik niet tot aangename sensaties aanleiding gaf).

Waarom dan een klok die generaties lang zal tikken (Danny Hills)? De maker had de bedoeling om mensen over de barriere van het millenium heen te trekken, om ons bewustzijn te vergroten door af te zien van de banaliteit van het hier en nu. De wetenschap dat die klok over tienduizend jaar nog tikt, zou dit effect moeten garanderen. Maar dat wisten we toch allang? We weten toch dat er menselijke creaties zijn die over eeuwen nog zullen bestaan, mits iedereen er met zijn fikken vanaf blijft, dan wel er behoedzaam mee omspringt. Juist doordat het aantal tikken van de klok in de opzet van de maker beperkt zal zijn, welliswaar over een lange periode uitgestrekt, maar toch beperkt, voegt hij in de opzet van een tijdsoverschrijdend bewustzijn niet toe wat mogelijk de bedoeling is geweest. Oke, we worden uitgedaagd om tien generaties verder te denken. Maar wat is tien generaties op het totale bestaan van de mensheid? En de dan levenden worden uitgedaagd om tien generaties terug te fantaseren. Maar als het allemaal goed gaat hebben die dan nog de oude meesters, dus why bother about a clock?

Ik liep in Duitsland aan tegen een vorm van kunst die qua concept in mijn beleving nauwer aansluit bij de eeuwigheidspretenties van sommige kunstenaars. In het Lichtmuseum in Unna zag ik een aantal installaties, waarin het voortbrengen van licht centraal staat. Sprookjesachtige kunst, soms uitermate abstract, maar gevangen in het schijnsel van wat zij uitstraalden voelde ik mij onmiddellijk geboeid. Met de snelheid van het licht dat voortgebracht wordt, zenden zij een boodschap naar de verste uithoeken van het heelal. Het zal natuurlijk wel even duren voor het daar aangeland is, en de lokalen miljarden lichtjaren van hier zich kunnen vergapen aan wat toen op planet Earth bedacht is, maar het tart mijn gevoel van oneindigheid, van nietigheid, van hang naar luister en geheimzinnigheid. Het gevoel dat je onderdeel bent van iets veel en veel groters, maar dat lekker toch niet kunt bevatten, en er maar gewoon zoveel mogelijk van moet genieten.

Nu is het wel zo, dat de meeste objecten in de kelder van het museum zijn opgesteld, dus de kans dat er een miniem bundeltje ontsnapt naar de oneindige ruimte is niet zo heel groot.

Ik toon u enkele van de illegaal gemaakte foto's. Een boze gids ten spijt, wilde ik toch graag vastleggen, voor mijn nageslacht dan, wat ik gezien heb. En via mijn pc schiet ik zo wellicht nog iets fraais de ruimte in.
Tot genoegen,


uw kather